Dat kreeg ik te horen toen ik zei dat ik ooit verkenner bij de padvinderij ben geweest, dat ik het toen leuk vond, en dat ik mij het voorval herinnerde dat mijn broer aan de beurt was om de padvinderseed af te leggen.
Dit is wat er toen gebeurde:
“Mijn broer en ik zijn een paar jaar lid geweest van de padvinderij in D. Waarom wij dat werden weet ik niet precies. Maar misschien kwam het door mijn moeder, of omdat mijn ouders het nodig vonden? In elk geval was het goed voor de opvoeding, begreep ik later.
– Zelf had ik altijd het idee dat mijn moeder was ‘overgehaald’ door de huisarts, want van de padvindersgroep in het dorp was hij de hoofdleider, hopman. De jongste zoon van de dominee was zijn vervanger. Ook zijn zus hielp af en toe mee.
– Toch gingen mijn broer en ik niet met tegenzin naar het zaterdags ‘padvinderijgebeuren’. Misschien mijn broer toch wel, maar dat weet ik niet zeker. Aan de zuidkant van de Vecht lag een houten gebouwtje in een bosje, ‘het Nieveer’, vlakbij de boerderij van Van Lenthe en de rivier ‘de Vecht’ . Het was toen het onderkomen van de padvinderij.
– Het jaarlijkse ‘heitje voor een karweitje’ was altijd een bijzondere dag voor de padvinderij. Dan kwam ‘het opperhoofd’, freule Vidal, ‘opdraven’, speciaal voor de padvindersgroep. Op overige dagen zag je haar nooit. Ook niet in het dorp. Zij was de akela, ook de oprichtster van de padvindersgroep. De hopman was die dag ook aanwezig, maar hij kwam wel vaker langs. ‘Om zich even te laten zien’, denk ik.. De padvindersvlag werd dan gehesen en de verkenners en welpen brachten de groet. Ook moesten zij dan ‘de eed’ afleggen. De freule en de dokter hielden beiden een kleine toespraak. Daarna zouden (eindelijk) de spelletjes beginnen.
– Alles verliep goed, totdat mijn broer aan de beurt was om de eed af te leggen. Hij kende alle woorden wel, maar zei: ‘Akela, wij doen geen pest, wij djiep, djiep, djop, want wat doet de rest?’ Het was gewoon een verzinsel van hem. Hij kon onmiddellijk naar huis vertrekken. Natuurlijk ben ik toen met hem meegegaan.
– Dat voorval betekende het einde van onze deelname aan de padvinderij. Ik vond het wel een beetje jammer. Ik vind nog steeds dat er niets mis mee is als je belangeloos iets voor een ander wilt doen.”
[Dit verhaal is overgenomen uit mijn jeugdverhalen.]
