Regelmatig ging ik naar een boerderij in “de Kniepe”. Naar Bosman en zijn vrouw bij wie mijn broer en ik altijd welkom waren. De ouders van de landbouwer woonden in het voorste gedeelte van de boerderij. Er was daar voor de deur een stoep met een aantal treden. Voor de beide woongedeelten lag een mooie, gezamenlijke en brede tuin.
De boerderij was niet hun eigendom. Bosman pachtte de boerderij en de landerijen. Maar hoe de eigenaar heette en waar hij woonde? Geen idee. Wel wist ik dat de “rentmeester” in het dorp D. woonde. Af en toe kwam hij “een kijkje nemen” op die boerderij. Hij kwam langs ons huis op de fiets, of met een brik. De man was altijd in het groen gekleed, droeg een knickerbocker (een drollenvanger). Achter de band van zijn hoed had hij een gekleurd veertje gestoken. Hij was en deed erg afstandelijk, en vooral uit de hoogte.
Soms ook had hij een jachtgeweer bij zich. Er was dan een jachtpartij op de landerijen van de boerderij. “Meneer de Rentmeester” zat dan pontificaal op een soort krukje, ergens aan het eind van de jachtroute. Daar zat meneer te wachten op het wild dat van elders werd “opgejaagd”. Ook ik mocht een keer als drijver meedoen, maar dat werd ook de laatste keer! Beschamend vond ik het gebeuren. Nog steeds!
Op het erf van de boerderij stonden twee enorme hooibergen. Tussen de beide hooibergen stonden een paar grote, houten schuren. Eén schuur was voor de kalveren en de pinken, en één voor de varkens. Er stond ergens in een schuur ook een stier, een groot beest met een ring in de neus.
Kunstmatige inseminatie bestond in die tijd nog niet. Dus brachten de boeren uit de omgeving hun koeien naar de stier. Ook naar deze stier. Hoe dat ging was een indrukwekkend gezicht. Op het erf was ergens een ondiepe kuil gegraven, waarin de koe moest gaan staan. Dat was gemakkelijker voor de stier volgens de eigenaar. De stier snuffelde eerst wat aan de koe, maar daarna ging het meestal snel. Er werd afgerekend en daarna vertrok de boer met de koe.
Zomers gingen wij ook vaak naar deze boerderij. Mijn broer en ik mochten daar allerlei karweitjes doen, zoals helpen met hooien en bij het voeren van het vee.
Als het hooitijd was en we mochten mee naar het hooiland, dan klommen mijn broer en ik, zodra de hooiwagen vol was geladen, bovenop het hooi.
Op een mooie zomerdag was ik er alleen, dus zonder mijn broer. Ik kon meerijden op de lege hooiwagen naar het hooiland. Toen er genoeg hooi op de wagen lag, werd een houten balk over de volle lengte van de wagen op het hooi gelegd. Aan de touwen aan de uiteinden van de balk werd eerst flink getrokken en daarna ergens aan de hoeken van de hooiwagen vastgeknoopt. Daarna werd ik bovenop het hooi gezet. De vracht was ook deze keer weer behoorlijk hoog, want de bovenkant van het hooi op de wagen raakte soms de onderste takken van de bomen die over de zandweg naar de boerderij hingen. Bij een hooiberg werd het hooi met de hooivork op een lange ‘jakobsladder’ gegooid en kwam zo in de hooiberg terecht. Daar werd het hooi netjes ‘verdeeld’.
Of het toen door de kuil in de zandweg kwam, door een lekke band, of door de hoge hooilading, dat weet ik niet, maar plotseling kieperde de hooiwagen om. De lading hooi kwam in het bosje langs de zandweg terecht, en ik vloog rakelings langs een paar boomstammen. Gelukkig liep het goed af. De boer kwam geschrokken kijken en vroeg of ik iets mankeerde. Dat was gelukkig niet zo. Wel ben ik toen enorm geschrokken.