“Snel’’ is/was de naam (nummer 54)


Af en toe hoor en lees ik de naam “Snel” tegenwoordig.

Logisch toch zul je zeggen, want hij is één van de nieuwe staatssecretarissen.
Dat is zo, maar of hij ook familie is?

Van mijn ouders hoorde ik eens, dat zij aan het eind van de oorlog (WO II) het advies kregen van nota bene van een NSB’er om het huis zo snel mogelijk te verlaten. Als reden gaf hij op dat de Duitsers (de Moffen) zich aan het terugtrekken waren en dat ze ook over de verkeersweg, die langs ons huis liep, zouden komen. Dat zou niet lang meer duren volgens hem, omdat ze werden achternagezeten door Canadese en Poolse soldaten. Er kon van alles gaan gebeuren, was ook zijn waarschuwing.

Mijn vader bleef thuis om een oogje in het zeil te houden, maar mijn moeder liep – met mij voorop in de kinderwagen; ik was toen ongeveer anderhalfjaar – naar een boerderij in de buurt waar wij welkom waren. Onderweg er naar toe vloog een jachtvliegtuig laag over. Van het geluid schrok mijn moeder zo erg, dat zij zich languit en pardoes op de kinderwagen liet vallen, met de bedoeling om te ‘beschermen’. (Waarschijnlijk het moederinstinct?)
Hoe lang mijn moeder en ik op die boerderij ‘moesten’ blijven, weet ik niet.
Wel weet ik dat mijn ouders jarenlang contact met de familie Snel hebben gehad.

Naar een ‘kookworkshop’


Een buurman belde aan om te vragen of wij, mijn vrouw en ik, zin hadden om met een aantal andere buren naar een kookworkshop in Rolde te gaan.
Dat idee leek mij eerst niet veel, maar dat kwam vooral omdat ik er geen echte ‘gedachte’ bij had. Maar misschien kwam het ook wel dat ik niet veel met ‘koken’ heb. Al dat gedoe ook! Je wordt tegenwoordig ‘doodgegooid’ met recepten, kookboeken, enz. Zelf ben ik iemand van de ‘gestampte pot’. Altijd al zo geweest.
We hebben ons opgegeven. Ik met het idee: ‘Als het maar leuk en gezellig wordt’. Zaterdagavond zijn wij met veertien personen op stap gegaan, d.w.z. zes personen in twee auto’s; de overigen in een achtpersoonstaxi.

De ontvangst in de kookstudio in Rolde was allerhartelijkst. We kregen een lekker drankje met een paar ‘amuses’ erbij. Daarna werden de ‘kooktaken’ verdeeld over vier groepjes.
Ik heb mij aangesloten bij de ‘gemakkelijkste groep’. ?
Volgens een papier voor ‘mijn’ groep moesten diverse soorten aardappeltjes worden gewassen, een behoorlijke hoeveelheid witte uitjes worden ‘uitgekleed’, twee grote kalfshazen met behulp van een elektrische snijmachine in ‘handzame’ plakjes worden gesneden (‘linke soep’ trouwens). Tot slot moest het vlees worden ‘gemarineerd’. Voor dat alles had ik mij opgegeven.
De marinade was door een ploeggenote gemaakt. De andere dame in ‘mijn’ groepje moest allerlei soorten wortels schoonmaken, in plakjes snijden en met verschillende vormpjes bewerken. Van een bepaald soort wortel kreeg zij pikzwarte vingers. Met hilariteit in de groep als gevolg.
De door de vier groepjes ‘gefabriceerde’ gerechten lieten zich prima smaken. De wijn erbij ook. Nadat alles op was – het was inmiddels bijna elf uur – kregen we tot besluit een kopje koffie!
Het was een geslaagde avond.

Een opvallend ’tussendoortje’


Anderhalf () miljoen HONDEN lopen er al in Nederland rond.
Maar er komen er steeds meer bij.
(Nee, schrik maar niet: géén vluchtelingen; ook géén asielzoekers!)

Nederlanders – gelukkig niet iedereen – blijken steeds vaker zwerfhonden uit het buitenland in huis te nemen.

HANDEL dus!
De zwerfhonden komen uit Rusland, Roemenië, Bulgarije, Griekenland, Spanje, Portugal, Italië, het Midden-Oosten, India, enz., enz.

(Niet normaal dus! En over milieu gesproken!)

Oom of ome Cé (nummer 53)


Zijn naam was ‘Gerard’, maar op die leeftijd kon ik de naam niet goed zeggen. Het werd dus “ome of oom Céen dat is eigenlijk altijd zo gebleven.

Hij was misschien wat rechtlijnig, maar eerlijk. Mijn oom behoorde in elk geval niet tot de groep mensen die het zeggen, zelfs toepassen: “Gelijk hebben is wat anders dan gelijk krijgen”.

Of ik hem goed heb gekend? Wel ‘algemeenheden’, maar nauwelijks details.

Zo weet ik niet precies waarom ik die keer naast hem stond – ik zal ongeveer tien jaar zijn geweest? – op de viersprong, buiten het Dorp, voor een groep Ambonezen, die naar een onderkomen, een voormalig ‘interneringskamp’, werd gebracht.
Het schemerende en het was fris toen in de verte een aantal auto’s en vrachtwagens kwam rijden. Dichterbij zagen we dun geklede, donkere vrouwen en kinderen. De mannen droegen warmere kleren. Een aantal kinderen zat bovenop de spullen op de vrachtwagens en zwaaiden vrolijk naar ons. Dat alles maakte diepe indruk op mij. Nadat de ‘stoet’ voorbij was, zijn we naar het Dorp teruggelopen.
Met wat ik nu weet, denk ik dat veel Ambonezen, sinds de komst in Nederland, slecht zijn behandeld. Zeker door de Nederlandse regering.

De laatste keer dat ik telefonisch contact met mijn oom had, was in de tijd dat iemand een boek wilde schrijven over het leven van Dr. Victor E. van Vriesland. De man was druk bezig met het verzamelen van gegevens over hem.
Van Vriesland was bij verschillende mensen ondergedoken geweest. Zo ook een tijdje (eind 1944) bij mijn tante Anne.
Mijn oom werkte in die tijd bij Gemeentewerken∗. Van Vriesland kwam af en toe even bij hem langs om een praatje te maken. Soms ook om even een potje schaak te spelen met mijn oom. Op een dag werden zij ‘opgeschrikt’ door de bezoek van de NSB-burgemeester. De man maakte een opmerking, maar wat precies weet ik niet meer. Na dit voorval verhuisde Van Vriesland naar een ander onderduikadres, geloof ik.
Oom “Cé” belde mij eens op met de vraag wanneer de schrijver een keer bij hem langs kon komen voor een gesprek. “Nu kon het nog,” zei hij. Dat is jammer genoeg nooit gebeurd, omdat de schrijver geen geld meer kreeg van de uitgeverij. Hij moest dus noodgedwongen stoppen met het verzamelen van informatie over Van Vriesland.
Maar of mijn oom het ook goed van mij heeft ‘gehoord’?

(∗ Hiermee ben ik mis. Hij werkte toen op Sociale Zaken. De NSB-burgemeester heette Umbgrove. Van Vriesland noemde zich Ernst van Vliet. Hij heeft de oorlog overleefd en de bevrijding in Dalfsen meegemaakt.)

“Stilstand is achteruitgang” (No. 52)


Dat dachten en zeiden mijn ouders ook regelmatig.

Voor de derde keer was er een verbouwing van het mechanisatiebedrijf geweest. De winkel was weer vergroot, er kwam een nieuwe werkplaats en een magazijnplaats. Voor de nieuwe knecht – er was ook toen niets mis met die naam – werd een woning gebouwd. Om er te wonen moest hij een billijke huurprijs betalen.

Toen de openingsdag kwam, kregen mijn ouders het die dag extra druk, maar dat hoorde erbij vonden zij. ‘Iedereen’ kwam kijken. Ook uit nieuwsgierigheid misschien?
Ook kwamen er mensen die je liever niet zag, maar ja,  je bent ondernemer of niet!

Ik herinner mij iemand aan wie ik een enorme hekel had. Dat was misschien ook wel wederkerig. Ik vond hem ‘een kwal van een vent’. Hij praatte en vroeg ‘honderduit’ en was af en toe vol lof, maar je voelde gewoon – ik voor 99,9 % –  dat hij er niks van meende. Hij wilde het gewoon weten om het zelf te kunnen gebruiken!

Mijn gedachten over hem zaten er niet ver naast, want hij begon kort daarna ook met een mechanisatiebedrijf.
Wel op een heel slinkse manier, maar ik hoop toch dat ik het mis heb!