Toen mijn ouders naar het dorp fietsten, reden zij meestal over het smalle fietspad langs de zandweg tegenover ons huis. Op dat fietspad kon je alleen maar achter elkaar fietsen.
Het fietspad liep gedeeltelijk langs een sloot met smerige, lange, bruine, grijsgroene slierten. Er zat dus veel viezigheid in dat stukje sloot. Dat slootwater, zeg maar gerust afvalwater, dat ontzettend stonk, kwam rechtstreeks uit de coöperatieve zuivelfabriek aan de rand van het dorp D.
In de winter bevroor het water in die sloot niet, omdat het water daar lauw was. Zodra het koud begon te worden of het ging vriezen, dan zag je damp boven die sloot hangen. Het leek dan wel op mist.
Toch werd er nauwelijks iets over die sloot gezegd. Er werd ook niets aan gedaan! Waar al het vieze water naar toe ging, wist niemand precies te vertellen. (Misschien de gemeente? Of alleen de directeur van deze fabriek?)
De meeste sloten en slootjes in de buurt waren gelukkig schoon. Je zag kikkers, watervlooien, salamanders, stekelbaarsjes en allerlei waterplanten. Af en toe zag je een ijsvogel.
In de sloot voor ons huis heb ik eens een snoek gevangen met het boodschappennetje van mijn moeder. Zij heeft de vis toen gebakken, maar het smaakte niet naar vis, te “gronderig”. De poes was er wel dol op!
In de winter schaatsten we altijd op deze sloot. We waren ook bezig met de slee, of een oude stoel op het ijs.
Mijn moeder en mijn broer zijn de vieze sloot nooit vergeten.
Op een mooie, rustige en schemerige zomeravond fietste mijn moeder, met mijn broer op de bagagedrager, naar huis. Fietsen in het schemerdonker vond zij helemaal niks. Waarschijnlijk dacht zij dat zij niet langer op het fietspad reed, maar in de bermt. Zij had altijd al moeite met het uit elkaar houden van links en rechts. Waarschijnlijk daardoor kwam zij in de sloot terecht! Mijn broer kon op tijd van de bagagedrager springen. Hij moest haar uit de sloot helpen en ook meehelpen om haar fiets op de wal te krijgen. Niet alleen haar fiets zag er heel smerig uit, ook zijzelf. Nog erger dan een spook zag zij eruit, beweerde mijn broer later.
Toen ze weer thuis kwamen zag ik de smerige slierten op haar hoofd, gezicht en handen, jurk en schoenen zitten. Zij stonk enorm!
