Kunnen fietsen op een eenwieler (11)


Eens was ik samen met mijn ouders en broer in circus RENZ, in Carré in Amsterdam, en zag ik daar een clown op een eenwieler rijden. Hij gooide, terwijl hij rondjes reed, gekleurde ringen in de lucht die hij onder het rijden weer opving. Heel knap vond ik dat, en mooi om te zien.

Op een dag vroeg ik aan mijn vader, of er misschien nog een los wiel en een paar trappers in de werkplaats lagen. ‘Gaat het maar om één wiel?’, vroeg hij grinnikend, en niet naar wat ik van plan was. Hij zei dat er wel ergens een transportfietswiel en een paar trappers moesten liggen. “Misschien ligt er ergens ook wel een zadel,” zei hij. Ik vertelde hem wat ik van plan was. “Ik moet zeker nog iets lassen?” vroeg hij lachend. Hij begon de lengte van de binnenkant van mijn been te meten, sneed met het lasapparaat een paar stukken van de kapotte fiets af, zette het oude zadel op de zadelpen vast en lastte een aantal losse delen aan elkaar. Tot slot draaide hij het wiel in de vork stevig vast, laste de trappers aan de as en pompte extra wind in de fietsband. “Klaar is Kees”, zei hij. De eenwieler was klaar. “Nu nog leren fietsen!”, zei hij. Ik bedankte hem en zag hem grijnzen.

Ik nam de eenwieler mee naar buiten en probeerde toen op het zadel te gaan zitten, maar dat lukte natuurlijk niet. En toch leek het zo gemakkelijk te gaan in dat circus.

Maar ik zou en moest op de eenwieler kunnen fietsen! Plotseling dacht ik aan de waslijn van Ma, aan de metalen wasdraad, die strak tussen de keukenmuur en een ijzeren paal was gespannen. Omdat ik niet op het zadel kon blijven zitten, hield ik mij steeds goed vast aan de waslijn. De hele dag oefende ik en reed ik heen en weer langs het draad. Het rijden ging steeds beter en gemakkelijker. Het was een kwestie van goed je evenwicht bewaren!

De volgende dag oefende ik weer opnieuw. Ik kon zelfs al een bocht maken en keren. De hele week bleef ik oefenen, totdat ik de waslijn niet meer nodig had. Naar de Hoevenweg ging ik met de eenwieler. Op die weg kwam nauwelijks verkeer. Dus druk was het daar niet. Ook op die weg bleef ik oefenen met opstappen en afstappen. Het rijden op de eenwieler ging steeds beter.

Natuurlijk hadden mijn ouders en broer wel gezien waar ik mee bezig was, maar ze vroegen niets!

Op een zaterdag vroeg ik aan mijn ouders en mijn broertje, of ze wilden komen kijken hoe ik op de eenwieler reed. Ze kwamen echt en zagen mij opstappen en wegrijden. Deze keer reed ik op de Hessenweg. Ik keerde niet, maar ik reed gewoon door, naar het dorp. En toen weer terug, een fietstocht van ongeveer zes à zeven kilometer. Onderweg zag ik enkele jongens van school. Ze stonden met open mond te kijken toen ik voorbij kwam!

Dat ik op een door mijn vader gemaakte eenwieler kon rijden is iets waarop ik nog steeds enorm trots ben!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *