De hondenfluisteraar moest komen (9)


Begin jaren vijftig hadden in de buurtschap waar ik woonde alleen mijn ouders een telefoon. Zij hadden een landbouwmechanisatiebedrijf, inclusief een smederij en een winkel. De smederij en de werkplaats, bedoeld voor o.a. het herstellen van landbouwmachines en andere werktuigen, waren het domein van mijn vader. Mijn moeder was de ‘baas’ in de winkel. Het pand was tevens: Rode Kruispost, ANWB-meldpunt en hulppostkantoor, waar iedereen kon bellen, of een telegram versturen.
–  Bijna elke dag kwam wel een telefoonboodschap binnen voor deze en gene, maar soms ook een telegram, boodschappen die direct weggebracht moesten worden.
–  Ik was op die dag weer aan de beurt om de boodschappen weg te brengen.
–  Er kwam een bericht binnen voor een boer in de buurt. Dus moest ik op de fiets met het boodschappenbriefje er naar dat adres. Eenmaal op het erf van de boerderij zette ik de fiets tegen de hooiberg. De zijdeur van de boerderij stond open en ik riep naar binnen: “Volluuuuk!” De boerin kwam, pakte eerst de keukenhanddoek, droogde haar handen af en nam de telefoonboodschap aan. Zij keek geschrokken langs mij heen en riep hard: “Hertha; Af!” Ik wilde omkijken, maar voelde opeens een felle pijn in mijn rechterschouder. Het kwam door de kettinghond, een herdershond, die mij had gebeten. De boerin joeg de hond weg en zei toen: “Laat mij even kijken.” Er zat een flinke, diepe afdruk van de tanden van de hond in mijn schouder, maar het bloedde gelukkig niet. Zij legde er een natte handdoek op.
–  Ik wilde het liefst snel naar huis. Met de fiets liep ik vlug en op veilige afstand langs de waakhond die weer aan de ketting lag. Het beest blafte en gromde aan één stuk door, totdat ik van het erf en de oprit was. Thuis vertelde ik mijn ouders wat er gebeurd was. Boos stapte mijn vader op zijn fiets en reed snel naar M., die eigenaar was van een houtzagerij en ook bekend was als “hondenfluisteraar”. Mijn vader vertelde hem de reden van zijn komst en vroeg hem, of hij misschien even tijd had om mee te gaan om die hond te “bekijken”. De man knikte, pakte zijn fiets en ging met mijn vader mee.
–  Op het erf van de boerderij sprak mijn vader de eigenaar van de hond. M. lag al op zijn knieën voor de hond en keek het beest  diep in de ogen. Plotseling begon de hond te janken en kroop, met zijn staart tussen de poten, achteruit het hok in. M. zei tegen mijn vader: “Jan, deze hond deugt niet.” Mijn vader zei toen tegen de boer: “Als jij de hond niet laat afmaken, dan doe ik het wel.” Nog dezelfde dag heeft de boer de veearts opgebeld. Mijn moeder luisterde stiekem mee met wat hij zei tijdens dat telefoongesprek en hoorde de boer aan de veearts vragen, of hij direct even langs kon komen om de waakhond “een spuitje te geven”.

Nog dezelfde dag is de veearts bij die boer langs gekomen om de kettinghond te laten ‘inslapen’.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *