Uit logeren (kv 113)


Het was maar vier kilometer fietsen, maar toch leek het een eind rijden. Het logeren bij mijn oom en tante duurde meestal slechts een dag en een nacht.

Zij woonden aan de rand van het dorp, in een knus huis, met een mooie tuin, vlakbij de melkfabriek en naast de directeurswoning. Op een mooi plekje.

Iets verderop lag ‘Tranendal’. De naam was voor elke dorpeling duidelijk. Wie daar woonde was diep gezonken. Van mijn ouders hoorde ik dat er iemand woonde die in de oorlog bij de SS had gezeten. Ook vertelden zij dat Victor van Vriesland een tijdje in het huis ondergedoken is geweest.

Mijn tante was een lieve vrouw. Ze had bijzondere ogen, want de pupillen stonden lager dan bij de meeste andere mensen. Daarom kon zij niet goed zien. Mijn oom was ‘gek’ op mijn tante, en af en toe zelfs nog een beetje jaloers ook. Ze hadden een hondje, ‘Trilby’ genaamd. Het hondje begon te trillen zodra er iets onverwachts gebeurde. Bij wijze van spreken kon dat gebeuren bij het horen van het geluid van de deurbel.

Mijn broer en ik sliepen in een kamertje boven. ’s Morgens werd ik vaak vroeg wakker van het gerammel van de melkbussen die bij de melkfabriek werden afgeleverd.

Toen mijn tante overleed, kreeg ik een foto met haar afbeelding van mijn oom.

Oom of ome Cé (nummer 53)


Zijn naam was ‘Gerard’, maar op die leeftijd kon ik de naam niet goed zeggen. Het werd dus “ome of oom Céen dat is eigenlijk altijd zo gebleven.

Hij was misschien wat rechtlijnig, maar eerlijk. Mijn oom behoorde in elk geval niet tot de groep mensen die het zeggen, zelfs toepassen: “Gelijk hebben is wat anders dan gelijk krijgen”.

Of ik hem goed heb gekend? Wel ‘algemeenheden’, maar nauwelijks details.

Zo weet ik niet precies waarom ik die keer naast hem stond – ik zal ongeveer tien jaar zijn geweest? – op de viersprong, buiten het Dorp, voor een groep Ambonezen, die naar een onderkomen, een voormalig ‘interneringskamp’, werd gebracht.
Het schemerende en het was fris toen in de verte een aantal auto’s en vrachtwagens kwam rijden. Dichterbij zagen we dun geklede, donkere vrouwen en kinderen. De mannen droegen warmere kleren. Een aantal kinderen zat bovenop de spullen op de vrachtwagens en zwaaiden vrolijk naar ons. Dat alles maakte diepe indruk op mij. Nadat de ‘stoet’ voorbij was, zijn we naar het Dorp teruggelopen.
Met wat ik nu weet, denk ik dat veel Ambonezen, sinds de komst in Nederland, slecht zijn behandeld. Zeker door de Nederlandse regering.

De laatste keer dat ik telefonisch contact met mijn oom had, was in de tijd dat iemand een boek wilde schrijven over het leven van Dr. Victor E. van Vriesland. De man was druk bezig met het verzamelen van gegevens over hem.
Van Vriesland was bij verschillende mensen ondergedoken geweest. Zo ook een tijdje (eind 1944) bij mijn tante Anne.
Mijn oom werkte in die tijd bij Gemeentewerken∗. Van Vriesland kwam af en toe even bij hem langs om een praatje te maken. Soms ook om even een potje schaak te spelen met mijn oom. Op een dag werden zij ‘opgeschrikt’ door de bezoek van de NSB-burgemeester. De man maakte een opmerking, maar wat precies weet ik niet meer. Na dit voorval verhuisde Van Vriesland naar een ander onderduikadres, geloof ik.
Oom “Cé” belde mij eens op met de vraag wanneer de schrijver een keer bij hem langs kon komen voor een gesprek. “Nu kon het nog,” zei hij. Dat is jammer genoeg nooit gebeurd, omdat de schrijver geen geld meer kreeg van de uitgeverij. Hij moest dus noodgedwongen stoppen met het verzamelen van informatie over Van Vriesland.
Maar of mijn oom het ook goed van mij heeft ‘gehoord’?

(∗ Hiermee ben ik mis. Hij werkte toen op Sociale Zaken. De NSB-burgemeester heette Umbgrove. Van Vriesland noemde zich Ernst van Vliet. Hij heeft de oorlog overleefd en de bevrijding in Dalfsen meegemaakt.)