Van mijn vader kreeg ik een grote, dikke bout. Hij had er een voorraadje van in zijn werkplaats liggen. Zelf gebruikte hij ze niet, maar af en toe kwam iemand van een timmermansbedrijf.
Bij de drogist kocht ik wat ‘van dat gele spul’ (zwavel). Van dat goedje deed ik voorzichtig iets tussen het schroefdraad van de bout, draaide de moer erop en gooide dan de bout met de bovenkant hard tegen de schoolmuur. Er volgde een enorme knal.
Toch was carbidschieten leuker. Ik heb er eerder iets over verteld. Mijn vader gaf mij een paar stukjes carbid. Hij had carbid genoeg, omdat carbid moest worden gebruikt om te kunnen lassen. Van mijn moeder kreeg ik een stroopblik. In de werkplaats was een hamer en een spijker. Met de spijker sloeg ik een gaatje in de bodem van het blik. Ook kreeg ik een doosje Zwaluwlucifers met de opmerking: ‘Doe er voorzichtig mee.”
Met de spullen liep ik naar de weg naast ons huis, de Hoevenweg. Daar deed ik een stukje carbid in het blik en spuugde erop. Zodra ik gesis hoorde deed ik vlug het deksel op het blik, legde het dan op het wegdek, zette mijn voet erop en hield een brandende lucifer bij het gaatje. Een harde knal was het gevolg. BANG ging het, waarna de deksel eraf en wegvloog!
Was het leuk? Zeker. En spannend ook!



