‘Vermaakarchitectuur’


Deze keer naar Norg op de fiets, voor bouwwerken zonder functie, zonder nut. Voor ‘ruimtelijke kunstwerkjes’ die geen nut, maar wel wat te vertellen hebben. Folly’s!

In Slochteren (bij ‘de Fraelemaborg’) hebben we eerder een aantal folly’s bewonderd (ik heb er al over geschreven).

In de krant (DvhN, 2/8/2018) lazen we dat dertien folly’s in Norg en omgeving te zien zijn. We hebben er fietstocht een fietstocht van gemaakt (totaal 40 km) en zijn naar het Kunsterf Norg gereden voor een routeboekje en een routekaart. In de mooie, oude boerderij aan de Brinkstraat was het genieten van de prachtig gemaakte  maquettetentoonstelling. Bij de monumentale boerderij begon de start van de follyroute. Van de dertien bouwwerken hebben we er zeven bekeken op de route van acht km. (Om een indruk te geven: zie onderstaande foto’s.)

Op de terugweg kwamen we meer dan 50 oude auto’s tegen. Het kan nog zal men misschien hebben gedacht. ?

[De folly’s zijn nog t/m 2 september 2018 te zien.]

 

Is voetbal (ook) gymnastiek? (kv 107)


Met dit weer – binnen 27, buiten 31º C. – gaan schrijven, laat staan gymnastieken?

Mijn ouders wilden dat ik bij de gymnastiek zou gaan. Zonder iets te vragen of te zeggen hebben zij mij opgegeven.
–  Naar de gymnastiek gaan was in het begin wel spannend, maar het werd saai, saaier, saaist. Gedoe dus. Dat was mijn mening. Steeds maar weer dezelfde oefeningen doen was niets voor mij. Veel liever was ik naar de voetbal gegaan.

In die tijd was de verzuiling bijna over de top heen. Alles was toen nog ‘dubbel’, d.w.z. er waren twee bakkers, twee schoenmakers, twee slagers, twee kruideniers, twee kappers, twee smeden, twee voetbalverenigingen, enz.

Twee jaar heb ik het bij die vereniging uitgehouden. Daarna mocht ik naar de voetbalvereniging. Het voetballen ging mij goed af. Ik was net achttien, toen ik in het eerste elftal moest voetballen. Wel als linksbuiten, terwijl ik gewend was op de rechtsbackplaats te spelen. Misschien omdat ik hard kon lopen en schieten? Die wedstrijd werd gelijk mijn laatste. Nog voor de rust werd ik uit het veld geschopt.
Wat later kreeg ik een scheenbeenontsteking.

Toch vind ik voetbal nog steeds een leuke sport. Om naar te kijken. ?

Wegbrengen naar het station (kv 106)


(Steenwijkerwold-Vilsteren v.v., mei 1964)

Een aantal militairen die voor een oefening in de bossen van Vilsteren verbleven, moesten bevoorraad worden vanuit de legerplaats (kazerne). Omdat ik de omgeving van het oefenterrein kende, ‘kreeg’ ik de rit om ‘spullen’ af te leveren. De soldaat, die de dienstreizen regelde, wilde dan wel voor die dag mijn draagbare radio (weer) lenen. (Prima natuurlijk!)

Dat ik de rit zou krijgen daarvan was mijn vriendin op de hoogte. Ook wist zij dat ik haar naar het treinstation wilde brengen. Toen ik in de militaire auto, een WEB, aan kwam rijden, stond zij al met de fiets aan de hand bij de brug te wachten. Na de begroeting reed ik langzaam achter haar aan naar het station.

Nadat we afscheid van elkaar hadden genomen en zij met de trein was vertrokken, ben ik verder gereden over het smalle weggetje langs kasteel Rechteren, door Lenthe, naar Vilsteren en daar naar de bivakplek van de militairen. De plek was gemakkelijk te vinden, want de route werd aangegeven door (militaire) bordjes in de berm van het bosweggetje.

Het goede voorbeeld geven (kv 105)


Het leek mij leuk om de cursus jeugdvoetballeiding te gaan volgen. Dat was het gevolg na het verzoek van de plaatselijke voetbalvereniging om jeugdleider bij die club te willen worden.

De cursus verliep goed. Het examen ook. Maar er kwam nog een bijzonderheid bij. Tijdens de cursus leerde ik ook bierdrinken! Zelfs in militaire dienst heb ik dat niet geleerd, omdat ik er niks aan vond. In het begin smaakte het bier gewoon vies, weet ik nog. Het begon steeds lekkerder te smaken. Het leek veel op de manier toen ik met het roken van sigaretten begon. Met het roken ben ik na die cursus gestopt; niet met het bierdrinken. Sommige biertjes vind ik ontzettend lekker.

Toch is het best wel raar. Je gaat bij de jeugdvoetbal, je drinkt bier en je rookt. Heet dat niet ‘de kat op het spek binden’?

Na negen jaar ben ik met het begeleiden van jeugdige voetballers gestopt. Het drinken van bier doe ik dus nog steeds, maar wel met mate! ?

De eerste dienstreis (kv 104)


Af en toe kreeg ik in mijn militaire dienstijd een dienstrit. De dienstmaat, die de ritjes regelde, zat zich vrijwel de gehele dag te vervelen in zijn kantoortje. Dat ik de rit kreeg was niet zomaar, want hij wilde graag mijn draagbare radio een hele dag lenen.

De radio had ik door ruiling gekregen. Tijdens een ‘Bingo-avond’ in de kazerne – er was buiten dat en een wekelijkse filmavond niets anders te doen in de kazerne – won ik een draagbare grammofoon. Iemand had een 45-toeren plaatje. Ik vond er niets aan, maar het lied schalde bijna zestien uur, dus in het parate weekend, snoeihard over het grote plein tussen beide gebouwen. Om ‘gek’ van te worden, maar sommige dienstmaten konden er maar geen genoeg krijgen. Het plaatje ‘Hup, zei mijn simmetje, daar gaat ie weer …’ werd grijs gedraaid. In dat weekend sprak ik ook iemand die de grammofoon wel wilde ruilen. Nadat ik de draagbare radio zag, zei ik direct ‘ja’.

Mijn eerste dienstrit was van Steenwijkerwold naar Ermelo. Ik had bedacht dat ik dan ook even bij mijn ouders langs zou gaan. Hoewel de afgelegde kilometers na de rit werden gecontroleerd, durfde ik de gok – ongeveer 12 à 15 km omrijden – wel te wagen. Ik had een goede smoes bedacht. Bij de watertoren in de Lichtmis verliet ik de autoweg en reed daarna over een paar binnenweggetjes naar huis. Bij de boerderij achter ons huis reed ik her erf op en parkeerde de (militaire) auto, een WEB (1-tonner), in de schadu van een hooiberg. Daarna liep ik vlug over het tuinpad naar ‘ons huis’. Ik verraste mijn moeder in de keuken. Mijn vader kwam ook even uit de werkplaats om mij te zien.

Voor een ‘tussenweekje’ naar Losser e.o

 


Voor iedereen die van rust en de natuur houdt, is het genieten in de omgeving van Losser; dus het prachtige Twentse landschap.Op wandel- en fietsafstand vind je heuvels, ‘kerkpaadjes’, bossen, de Dinkel, Singraven, oude boerderijen, enz.

Maar ook daar was het: droog, erg droog, gortdroog. De warmte viel gelukkig mee. Slechts één nacht hebben we last gehad van een mug.

In totaal hebben we 171 km gefietst, maar – eerlijk is eerlijk – toch ook 24 km met de auto gereden. Dat laatste om naar het Rijksmuseum Twenthe in Enschede te gaan, en omdat – oh wonder – het regende.
We zagen in het museum o.a. het eigenzinnige, maar vooruitstrevende werk van de Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker.