De nieuwe tv-serie “Vrouwen die varen”


Deze bijdrage gaat over de nieuwe tv-serie “Vrouwen die varen“, een serie waarin vijf vrouwen worden gevolgd tijdens hun werkdag op het water.

De titel van de serie deed mij denken aan het verhaal dat mijn broer mij een keer vertelde.

Wat hij zei leek op een mop, maar dat was het niet! Wat hij mij vertelde? Het volgende:

Er lag hier op zekere dag in de Maas een groot binnenvaartschip bij de sluis. Richting het hoge Noorden moest de boot. Het sturen van deze boot dreigde behoorlijk mis te gaan. De vrouw stond aan het roer. De man stond op het dek en hij hield een dik touw in zijn handen.
Er dreigde dus iets mis te gaan. De man riep toen iets heel grof richting de kajuit, woorden die hier niet voor herhaling vatbaar zijn. De vrouw hoorde  wel wat de man zei en riep keihard in het Gronings terug:
“As doe moar neuk’n kinst, den bin’k wol goud!

Een gezellige, maar wel een ‘gevaarlijke’ drukte in de sluis.

 

Nog een quasi-Poetin- , -Trump-figuur ontdekt


Namelijk Ben Gvir, de huidige, ultranationalistische minister van Nationale Veiligheid van Israël. Die man heeft het dus toch weten te ritselen. Met dank aan Netanyahu natuurlijk, want hij wil blijkbaar koste wat kost zijn positie als premier van Israël behouden.

Ben Gvir krijgt dus toch zijn zin: een (eigen) nationale garde.

Niet te ‘filmen’ natuurlijk. Ongelooflijk. Toch? Dat ging er allemaal door mijn hoofd toen ik het bericht in de krant (VK) las!

Het is te hopen voor Israël dat de bevolking in grote getale blijft demonstreren om zo de omstreden plannen van de ‘wanhoopsregering van Netanyahu‘ de nek om te kunnen draaien.

[En: Nederland laat zich beschamend weinig horen in en tegen de misstanden in Israël.]

“Trugkiek’n” kan elk moment van de dag


Je hebt nog nooit van dat woord gehoord?
Het is Sallands en betekent: ’terugkijken’, ‘nog eens bekijken’, ‘stilstaan bij iets uit het verleden’.

Trugkiek’n deed ik afgelopen zaterdagavond nadat ik op tv naar de eerste twee delen van de serie Trom (‘klif’), dat zich afspeelt op de Fäeröer, had gekeken.

Ik zocht het op in ons ‘reisverslag’.

Het was in 1996, zag ik, dat ik daar was, samen met mijn echtgenote en jongste zoon. We moesten twee dagen wachten op de veerboot (Smyril Line), die eerst via Bergen (Noorwegen) ging, voordat de vervolgreis naar IJsland kon beginnen. Het weer was prachtig en daarom konden we veel zien en meemaken van wat er op een aantal eilanden zo bijzonder was.
Zo ontmoeten en spraken we ook met een plaatselijke buschauffeuse. Zij vertelde ons dat zij en haar man een drietal bussen runden voor rondritten en lijndiensten. Ze zei ook dat we het bijzonder troffen met het weer, waar het de meeste dagen van het jaar gewoonlijk regende of sneeuwde.
Onderweg was weinig verkeer. Zo kwamen we twee keer een bus – dezelfde dame zat achter het stuur – tegen. Als groet en herkenning knipperde zij met de grote lichten (heel leuk natuurlijk).

Bij Gjogv op het eiland Eysturoy (In het groene gedeelte – is grond begroeid met gras – nestelden papegaaiduikers)