Wuppertal (Duitsland)


Na twee uur in het Von der Heydt-Museum (Wuppertal) te zijn geweest vonden wij het welletjes; we hadden genoeg gezien. Mijn vrouw en ik zijn naar het hoofdstation voor de Schwebebahn gewandeld. Een ritje zou ongeveer een uur gaan duren. We hadden nog anderhalf uur de tijd. Dat ritje leek ons wel wat, dus hebben we het gedaan. Het was echt iets bijzonders!

Hoe het begon? In het museum was een (onopvallend) ‘infostalletje’. Een vriendelijke meneer hielp ons. Het bleek dat hij goed Nederlands sprak. Weliswaar op z’n prins Bernhards, maar toch. Op de vraag waarom hij zo goed Nederlands sprak, antwoordde hij dat de grootouders van zijn vrouw na de eerste wereldoorlog (WO I) vanuit Ruinerwold (Drenthe) naar Wuppertal waren gegaan. Van hen had hij de taal leren spreken. En verder: “Hollanders gaan naar de bergen; Duitsers naar de zee”, zei hij. Zijn vrouw en hij gingen al jaren naar de Nederlandse kust. Naar de zee, de duinen en het strand. Hij vertelde tot slot over de Schwebebahn, de kosten en waar we het beste konden instappen. Een aardige Duitser.

We kochten in het station een 24-StundenTicket (voor twee personen € 10,30). Met dat kaartje konden we het hele traject (20 stopplaatsen) doen. Heen en terug. We kregen zo een mooie, goede indruk van de stad. Met de ‘zweeftram’ kwamen we tot aan de stadsgrenzen en zweefden we bijna overal over het riviertje de Wupper. Ook kwamen we langs het enorme, uitgestrekte complex van BAYER (de grote werkgever van de stad?).  Na deze rit moesten we nog een halfuurtje wachten op de bus.

Een viertal indrukken van de ‘zweeftram’:

Edouard Manet in Wuppertal


Het was een vrij lange rit in de bus, maar toch. Voordat je er erg in had, was je in Wuppertal en stopte de bus (dicht)bij het Von der Heydt-Museum. De reis naar het museum was echt de moeite waard. Het was redelijk druk, maar niet vervelend. De drukte lag hoogstwaarschijnlijk aan deze mooie tentoonstelling, en omdat het zondag (4feb2018) was.

De Manet-tentoonstelling was toegankelijk ingericht. Er mochten geen foto’s worden gemaakt. Dat was wel jammer. Bij een aantal werken hing ook werk van zijn tijdgenoten. Ook uit Nederlandse musea. Over Manet zijn weinig bijzonderheden bekend. Ze zijn er vast wel, maar misschien was hij een ‘binnenvetter’? Iemand, die zijn eigen gang ging? Of misschien iemand met ‘verdaipens’, zoals men in Groningen zou zeggen?

De volgende schilderijen vielen mij op:
De renbaan van Longchamp (uit 1867); Het scheepsdek (1860); het stilleven met blauwe bloemen in het midden (de naam van het schilderij en het jaartal ben ik vergeten); het (gevoelige) schilderij met het jongetje (1862); Chez le père Lathuille (1879), en een stilleven met tulpen en een roos (het jaar, waarin het is geschilderd, weet ik ook niet meer; privébezit stond er ook bij).

Na twee uur in het museum vonden wij dat we de Maret-tentoonstelling voldoende hadden bekeken en zijn we de stad ingegaan.