“Maarten” noemde hij mij altijd


Met ‘hij’ bedoel ik de grootvader van Ally, mijn vrouw.

Ik kon goed met hem opschieten. Hij was jammer genoeg stokdoof, maar Ally herinnert zich nog de tijd – zij was toen ongeveer vijf jaar – dat haar vader hard moest praten om zich verstaanbaar te kunnen maken, als hij met hem sprak.

Maar waarom hij altijd ‘Maarten’ tegen mij zei? Dat weet ik niet. Misschien vond hij die naam mooi? (In werkelijkheid is mijn roepnaam ‘Martien’, van ‘Martinus’, de naam van mijn grootvader.)

Ally’s grootvader was een rustige man, volgens mij. Als we er op bezoek waren, dan moesten mijn schoonvader en ik altijd eerst zijn tuin ‘bewonderen’. Dat gebeurde ook als Ally en ik op bezoek bij hen waren. Dat was de ‘gewoonte’. Misschien was het een ‘mannenkwestie’? Iets van die tijd?

Door zijn doofheid kende hij de klank van een aantal (‘nieuwe’) woorden niet. Die woorden kende hij wel van papier, maar de klank niet! Zo kende hij bijvoorbeeld de klank van het woord ‘yoghurt’ niet. Hij zei dan ‘joogert’.