Wegenwacht (kv 110)


De ANWB had in die tijd een soort waarschuwingssysteem. Zo konden ‘auto- en motorpechvogels’ bij ons thuis bellen voor hulp van een wegenwacht. Daarom was er een ANWB-telefoonbordje aan de muur van ons huis gemonteerd.

Op de route Zwolle-Coevorden, de N340, reed dagelijks een opvallend gele ANWB-motor, een BSA, met zijspan. In de zijspan zat enorm veel gereedschap, overzichtelijk opgehangen en neergelegd. De berijder kwam elke dag langs ons huis. Ook voor informatie, om te bellen, maar ook wel voor een lekker kopje koffie van mijn moeder.

De wegenwachter droeg een leren pak en een pet (geen helm volgens mij), en een grote motorbril. Af en toe stond hij in de werkplaats van mijn vader om een auto- of motoronderdeel te repareren voor een klant die ergens langs de weg stond te wachten.

Het zal eind jaren vijftig zijn geweest dat hij op een dag kwam aanrijden in een gele Citroën-bestelauto. Vol trots liet hij ‘zijn’ nieuwe auto van binnen en buiten bekijken en bewonderen.

De ‘wegenwachter’ woonde in Hoonhorst. Zijn naam ben ik (voor het gemak) vergeten, maar niet de herinnering dat hij verkering had gekregen met een meisje die in Ootmarsum woonde. Ik ben daar eens op bezoek geweest, samen met mijn ouders. Wat daarvan precies de reden was? Geen idee! Mijn broer zat bij mijn moeder achterop de brommer en ik bij mijn vader. Het was een lange zit en rit, maar het werd een gezellige dag.

Uitgelaten (77)


Nadat ik slaagde voor het middelbare schoolexamen was ik behoorlijk uitgelaten. Dat was ook de reden dat ik bijna vergat om het resultaat even naar huis te bellen. Toen ik belde, kreeg ik bijna onmiddellijk mijn vader aan de lijn. Dat was bijzonder, want meestal was hij in de werkplaats. Vooral voor mij was hij heel blij, hoorde ik hem zeggen. Daarna kreeg ik mijn moeder aan de lijn. Ook zij deed uitgelaten. Ze kon niet nalaten nog even te zeggen dat ik voorzichtig naar huis moest rijden. Ik mocht op de examendag de brommer meenemen. Dan was ik vroeg weer thuis, was de opmerking.
–  Toch ging het bijna mis, want toen ik naar huis wilde gaan, kwam plotseling de lerares Engels uit het gebouw lopen. Zij wilde mij feliciteren met het diploma, zei zij. Zij had in het gebouw, waar het mondelinge examen net was afgelopen, ook moeten meewerken bij het afnemen van de examens. In ‘haar vak’, de Engelse taal.
Nadat zij mij had gefeliciteerd ging zij zomaar achterop de brommer zitten. ‘Rij even een rondje’, vroeg zij plotseling. Dat wilde ik wel doen, ook al had ik het idee dat iedereen op het pleintje naar ons stond te kijken.
–  Ik wilde de brommer keren, maar het voorwiel kwam gevaarlijk ver van de grond. We vielen bijna om. Het liep gelukkig goed af, misschien omdat zij op tijd was afgestapt? Voordat zij naar het gebouw liep, zei zij: ‘Goede reis en tot de afscheidsavond van school.’