Een geschilderde levenslijn


Toen ik wakker werd, viel mijn blik op het schilderij dat ik mijn echtgenote heb gegeven op de dag dat wij 25 jaar getrouwd waren. Rob van Eek heeft het geschilderd, is de bedenker. Hij vond de opdracht destijds best wel ‘moeilijk’, herinner ik mij.

Mijn vrouw en ik deden wat lacherig tegen elkaar over de ‘voorstelling’ op het schilderij. Het moet volgens de kunstenaar ‘de levensloop’ voorstellen.

Inmiddels is in die ‘levenslijn’ al veel gebeurd, voltooid verleden tijd dus.
Momenteel zijn wij ‘aangeland’ bij de mooie, gedroogde roos, denk ik. 🙂

Buch en Büch (Kv 130)


Broers waren zij van elkaar.

De tv-programma’s van (Boudewijn) Büch (met een umlaut) heb ik regelmatig gezien, maar het (smakeloze) programma ‘Sex voor de Buch’, van (Menno) Buch (zonder een umlaut), een keer uit nieuwsgierigheid.

Samen (mijn moeder, broer en ik) hadden we bedacht om een keer, met ons drieën, een weekend naar Gulpen te gaan, de plaats waar mijn vader in de Mobilisatieperiode (vlak voor WO II) was gelegerd. We hadden in die plaats een geschikt hotel gevonden. Voordat we daar ’s avonds zouden gaan eten, zijn mijn broer en ik naar een ‘bruin café’ gewandeld voor het plaatselijk gebrouwen biertje van de tap. Dat biertje smaakte prima. Mijn vader was er ook gek op, wist ik. Toen het glas leeg was en we nog een pint wilden nemen, ging de deur van het café plotseling open. Er was opeens een boel lawaai.

Iemand van de bezoekers was als haan verkleed. Het leek wel carnaval. De heer Menno Buch was er ook bij. Iemand droeg een enorme camera. Er zou een tv-opname worden gemaakt. De haan en een vrouwelijk persoon zouden samen ‘een wip’ op de biljarttafel maken! Smakeloos!

Ik stootte mijn broer aan en zei dat we snel moesten afrekenen en maken dat we zo snel mogelijk uit dat café moesten gaan. Hij wilde eerst nog blijven. Buiten zei ik, dat ik niet wilde dat wij beiden tijdens de tv-opname in beeld zouden komen! Dat kon hem echt niets schelen als hij in beeld kwam, zei hij.

Omdat het zo hilarisch was, hebben we deze gebeurtenis vaak in geuren en kleuren verteld. ?

Wie was zij eigenlijk? (Kv 129)


Vorige week zou Bertha Breman jarig zijn geweest. Omdat zij mijn moeder was, heb ik lang moeten nadenken, of ik deze bijdrage wel zou willen plaatsen.

Hoezo? Nou, gewoon, omdat zij mijn moeder was, ik veel aan haar te danken heb en omdat ik haar met mijn verhaal niet tekort wil doen.

Mijn moeder had meer ‘voornamen’ dan: Lambertha Wilhelmina. Bertha werd zij meestal genoemd. Door mijn vader, haar ouders, broers en zuster, en door diegenen, die haar (goed) kenden. ‘Betsie’ noemde een tante haar, ‘Betta’, of nog ergerBatta’, door buurtgenoten, boeren en bekende winkelklanten, ‘Mam’, ‘Mams’ en ‘Ma’ door mijn broer en mij en ook ‘Oma’ door haar kleinkinderen (die zij graag mocht). Iedereen mocht haar wel. Iedereen was welkom bij haar.

Ik heb het idee dat mijn vader alles wel goed vond wat zij deed, ondernam of voorstelde. Met mijn vader had ik een goede verstandhouding, maar met mijn moeder toch wel de beste. Ik kan gerust zeggen: een prima jeugd heb ik bij mijn ouders en mijn broer gehad. Natuurlijk heb ik wel eens straf gehad. En als ik het wel heel bont had gemaakt: ook een pak rammel. Maar ook dat hoorde erbij.

Mijn middelbare schooljaren waren een ramp. Ook voor mijn ouders. Zij hebben van alles ‘geprobeerd’. Mij een aantal testen laten doen bijvoorbeeld. Mijn moeder beweerde altijd dat alles wel goed zou komen. Dat zei ze ook tegen anderen. Maar toch! Voor smid, handelen en rekenen was ik niet in de wieg gelegd. Mijn broer wel.

Mijn vader en moeder hebben veel meegemaakt in hun leven, maar toch hebben zij zich altijd prima weten te redden. Dat kwam vooral door hun positieve instelling, hun ‘kijk op het leven’, hun liefde voor elkaar, hun (gezamenlijke) werkzaamheden en hun liefde voor mijn broer en mij.

Nooit zouden mijn ouders zomaar iets zeggen. Niet tegen elkaar, maar ook niet tegen mijn broer en mij, of tegen wie dan ook. Wij vroegen nagenoeg nergens naar. Dat deed je sowieso niet, want dat hoorde toen niet! Later vond ik wel dat ik meer naar finesses had moeten vragen. Dat ik dat niet gedaan heb, daar heb ik nog steeds spijt van.

Mijn moeder zal vijf (!) jaar zijn geweest, toen haar vader overleed. Hij is 35 (!) jaar oud geworden. Waaraan hij is overleden, weet ik niet. Wel weet ik dat hij eigenaar was van een groot bedrijf (althans voor die tijd): een smederij, een woninggedeelte en een winkelpand er naast. Het bedrijf stond aan de hoofdstraat in het dorp. Hij wist precies wat hij wilde. Een vooruitstrevend iemand. Hij trouwde een rijke boerendochter, reed als eerste in het dorp op een motor en gaf les aan de Ambachtsschool in Zwolle, om maar iets te noemen.
–  Na zijn overlijden kon mijn grootmoeder het bedrijf niet voortzetten. Zij moest drie jonge kinderen grootbrengen. Zij leerde een weduwnaar, die ook in het dorp woonde, kennen. De man had twee kinderen, ongeveer van dezelfde leeftijd als haar kinderen. Van beroep was hij slager. Er was (kwam vrij?) een slagersbedrijf met een winkel en een woongedeelte, ook in het dorp. In dat pand kwamen zij te wonen. Het werd een ‘verstandshuwelijk’. En dat bleef het, volgens mij.
–  Natuurlijk gebeurde in dat gezin ook van alles en nog wat. De broer van mijn moeder, die in Amsterdam was gaan studeren, er woonde en trouwde, werd plotseling ernstig ziek. Zijn ziek- en sterfbed was in het dorp. Waaraan hij is overleden, weet ik niet. Hij overleed op 26-jarige (!) leeftijd.

Mijn ouders zijn in 1942 getrouwd. Waarom in de Tweede Wereldoorlog? Dat kwam omdat de eigenaar van een smederij, gelegen buiten het dorp, plotseling kwam te overlijden. Het bedrijfje, een smederij met een winkeltje en een woongedeelte, kwam te koop. Mijn ouders hebben het pand met moeite kunnen kopen.
–  Ik ben in 1943 geboren. Mijn broer in 1945. Mijn moeder zei soms gekscherend dat ik van een Duitser was en mijn broer van een Canadees.
–  Mijn moeder was de stuwende kracht in huis; mijn vader de harde werker. Zij hield – meer dan mijn vader – van lezen, reizen en praten. Een zakenvrouw. Dat bleek o.a. uit het feit hoe zij omging met de ‘klanten’, die in de winkel kwamen, de boekhouder en hoe zij omging met vertegenwoordigers.

Toen mijn vader een ernstig auto-ongeluk kreeg – op slechts ongeveer 150 meter van ons huis – moest de zaak worden verkocht. Op advies van de doctoren, zei mijn moeder.
–  Wij verhuisden – halsoverkop – naar het dorp en trokken tijdelijk in bij mijn grootouders, omdat de nieuwe woning nog niet klaar was. In de kamer, waar mijn broer en ik moesten slapen, stonden de verhuisdozen hoog opgestapeld.
–  Het was een ongezellige, zeg maar gerust een deprimerende tijd. Ik zat op dat moment in militaire dienst, helemaal in Bergen op Zoom. Mijn broer liep stage bij een (landbouwmechanisatie)bedrijf in een dorp in het zuiden van Duitsland. Het dorp lag ergens ten zuiden van München, vlakbij de Oostenrijkse grens.

Toen de gezondheid van mijn vader al maar slechter werd, vroeg mijn moeder of ik mijn broer uit Duitsland wilde ophalen. Ongeveer 1000 kilometer moest ik rijden in haar auto, een koekjestrommel, een Dafje, om er te komen. Onderweg sneeuwde het af en toe. Ik had speciaal militair verlof’ moeten aanvragen, maar dat heb ik niet gedaan. In die tijd kon mij werkelijk niets, maar dan ook niets schelen wat er met mij zou gebeuren. Op de terugweg hebben we samen nog even in Dachau rondgekeken.

Mijn vader overleed op 49-jarige (!) leeftijd. Iemand, die mijn moeder van vroeger kende, weduwnaar was, vier kinderen had en in het Hoge Noorden woonde, nam, ongeveer tien jaar later, contact met haar op. Nadat zij elkaar een tijdje leerden kennen vroeg hij haar ten huwelijk. Aan mijn broer en mij vroeg mijn moeder wat wij ervan vonden. ‘Doen’, zeiden wij direct.
–  Gelukkig konden zij goed met elkaar opschieten. Ook zijn kinderen vonden een huwelijk een goed idee. Zij, maar ook hun kinderen, mochten mijn moeder graag.
–  Dat huwelijk heeft jammer genoeg niet lang geduurd. Slechts drie jaar. Omdat mijn moeder niet in het noorden wilde blijven, is zij in Zwolle gaan wonen, waar zij zich ook prima wist te redden. Ik heb haar nooit horen klagen. Met ‘bus vijf’ was zij zo in de stad voor de bibliotheek, de bank en de markt, zei zij.

[Er is nog veel meer over haar te vertellen, maar ik wil het hierbij laten.]