Wij zijn medeschuldig aan al die rotzooi

Het zal vast al wel zijn opgevallen dat, als Blogger (lees: Martien) iets oneerlijk vindt, of van mening is dat iets niet deugt, hij dat vrij regelmatig in een bijdrage laat weten.
Soms wordt dat toch ook gewaardeerd. ?

Zo vindt Bogger ook dat wij met ons allen medeschuldig zijn aan de rotzooi die op de stranden van de Waddeneilanden, in de Noordzee en zeer waarschijnlijk ook in de Waddenzee, zijn terecht gekomen.
(En dan bedoelt hij NIET de containers, maar de INHOUD.)

Elektrische auto’s, ledlampen en energiebesparing


Gaat dat samen? Gaat dat goed?

Bijna iedereen heeft het tegenwoordig over gas en energiebesparing. Dus ook over elektrische auto’s. En natuurlijk ook over de fratsen op dat gebied. Maar wees eerlijk, voor de meeste autobezitters zijn geen betaalbare elektrische auto’s beschikbaar. Ze zijn alleen te koop voor de ‘rijkelui’. Voor de rijke ‘stinkers’.

Maar waar ik al langer aan denk? Aan deze beide vragen:
1. Waarom is na WO II niet direct begonnen met het opzetten van een groot openbaar vervoersnetwerk? Dus met veel treinen en veel bussen, die voor een snelle verbinding kunnen zorgen om bijvoorbeeld vlug op het werk te komen?
2. Waarom moet iedereen zo nodig een auto?

In mijn beleving is hieraan veel te weinig aandacht geschonken. De politiek heeft hierin gefaald!

En dan de ledlampen. Ze zijn enorm energiezuinig, maar door veelgebruik van deze lichtbron zal er nauwelijks energiebesparing zijn, is de verwachting. Dat las ik ergens.

Misschien zal het echt wel zo gaan, want je ziet werkelijk overal ledlampen en -lampjes. In huis, overal buiten: in de tuin, op de wegen. Je kunt het zo gek niet bedenken! Steeds meer dus. En op de gekste plekken, zoals in struiken en tot hoog in de bomen zelfs.

‘Het kost bijna niets’ zal er worden gedacht, maar hoe meer er van die ledlampen gebruikt gaan worden, hoe minder zal de energiebezuiniging er zijn!?

Hem moest ik ophalen (Kv 124)


‘Hem’ is mijn broer. Toen de gezondheid van mijn vader slechter werd, moest ik hem ophalen van mijn moeder. Hij liep op dat moment stage, helemaal in het zuiden van Duitsland. Het leek mij geen moeite toe en kreeg de ‘koekiestrommel’ (een Daf 600 of 750) van mijn moeder mee.

Het was een eind rijden. Een kwestie van: ‘het verstand op nul zetten’. Mijn broer wilde een paar dagen langer blijven, maar ik wilde zo gauw mogelijk terug, naar huis.

Ik sliep die nacht naast mijn broer in een tweepersoonsbed met een dik, Duits dekbed erop. Buiten vroor het behoorlijk, maar het sneeuwde gelukkig niet meer.

De volgende dag reden wij door de mooie omgeving. In een winkeltje in het dorp kochten we, als aandenken, ieder een knickerbocker en een paar lange, kleurige, geblokte kousen. Het was de kledij die men daar zondags droeg, zei mijn broer.

De volgende dag reden we huiswaarts. Iets buiten München lazen we op het verkeersbord met grote letters DACHAU. Op de heenreis had ik het bord al gezien. De naam had toen ook al een enorme aantrekkingskracht. We namen de afslag om het voormalig concentratiekamp te gaan zoeken. In de plaats zelf wist niemand ons de weg te vertellen. Of dat ook werkelijk zo was? Misschien deed men alsof? We besloten naar het politiebureau te gaan. Maar zelfs daar wist men niet direct de weg.

Uiteindelijk kwamen we uit bij een grindweg met grote gaten erin. Aan het eind van de weg was een soort toegangspoort met nog wat verroest prikkeldraad. Er achter was een kaal stuk terrein, bedekt met grind. Ongeveer in het midden van dat terrein stonden twee (?) kapotte, verroeste ovens. Verder was er niets te zien.
(Later ben ik er nog een keer geweest. Het voormalig concentratiekamp was herbouwd en doet nu dienst als Herinneringscentrum. Net als bijv. het kamp in Westerbork.)

Na de ‘bezichtiging’ zijn we verder gereden.
Onderweg naar huis bleef het lang stil in de auto.