Als ik oud geworden ben
Dat ik geen mens meer herken
en niet eens jouw naam meer weet,
pak dan mijn hand heel even beet.
En zeg me zo gedag
laat me voelen dat je me mag.
Wellicht dat ik het gevoel herken,
dat ik voor iemand, iemand ben.
Als ik oud geworden ben
Dat ik geen mens meer herken
en niet eens jouw naam meer weet,
pak dan mijn hand heel even beet.
En zeg me zo gedag
laat me voelen dat je me mag.
Wellicht dat ik het gevoel herken,
dat ik voor iemand, iemand ben.
‘Vroeger of later
ga je dood
Dat staat als een paal
boven water
Zo oud als Sparta
word je nooit
En als je gaat
is het je tijd geweest
Dat is een ding
dat zeker is
Zo niet
ofter een hemel is
maar àlster een is
dan zal je zien
dat de Hemelpoort-o!
brok in ons keel-
verdacht veel weg heeft
van Het Kasteel.’
(Zijn ‘Spartaanse’ stem hoor je mee, als je het gedicht leest.)
kijk ik naar het gezicht
van de liefste onbekende
met wie ik lang samen ben
vraag ik mij vaak weer af
wie ze is en is geweest
al die tijd vanbinnen
welke gevoel heeft zij
gekregen bij de dingen
die we hebben beleefd
deelde zij met mij wat
ik jaren ben vergeten
waar zijn de dagen gebleven
dat we alleen samen waren
toen we dachten aan elkaar
als wie we lief zouden krijgen
boven alle anderen in de tijd
na een halve eeuw
weet ik niet wie zij is
ken mezelf niet eens
zou ik zonder haar
een ander zijn
vraag ik me af
(Uit: Momentaan –
Jaap Tempelman, Beilen