De overbuurman had een tuinbedrijfje. Een keer per jaar – meestal vroeg in het voorjaar – reed de man – een ‘knorrepot’ – met zijn paard en wagen naar een boerderijtje in de buurt, waar aan de rand van het aldaar gelegen bosje, grote, dikke beukenbomen stonden. Onder deze bomen groeide helemaal niets, maar er lag wel een dikke humuslaag onder. Vruchtbare grond, zei hij. Het was de plek, waar hij de teelaarde voor zijn tuin haalde. Toen hij de wagen had volgeladen met nieuwe ‘tuingrond’ reden we langzaam terug. In de tuin bij zijn bedrijfje schepte hij de teelaarde van de wagen en maakte er een grote hoop van. Daarna haalde hij zijn kruiwagen en verdeelde de ‘compost’ over de tuin. Hij was zo een poos bezig met spitten en verdelen van de nieuwe tuinaarde, waarna hij de grond vlak maakte met een hark. Daarna begon hij met het zaaien. Spinaziezaad was het, geloof ik. Wat een werk!
– Dat ik met hem mee mocht, kwam misschien dat zijn dochter bij ons werkte als hulp in de huishouding. Haar moeder noemde ik ‘tante Moe’.