Mijn Opa had een tafelbiljart. Dat biljart was enorm zwaar, had kleinere afmetingen en ook de keus (biljartstokken) en de biljartballen waren kleiner. Hij biljartte er vaak op.
Toen ik er – volgens hem – oud genoeg voor was, wilde hij mij het biljarten wel leren. In het begin vond ik het maar niets. Toch ging het steeds beter. Af en toe won ik zelfs een partijtje. Dat was heel wat, want hij was er niet de persoon naar om iemand zomaar te laten winnen.
Mijn vader speelde soms mee. Hij hield meer van de damsport. Maar als hij meedeed, dan speelden we meestal het spelletje ’tien-over-rood’ met ons drieën.
Soms gebeurde het dat een biljartbal over een andere biljartbal ‘sprong’. Dat mocht natuurlijk niet. Mijn Opa zei dan dat het een ‘Heinosen’ was. Hoe hij aan dat woord kwam, weet ik nog steeds niet, maar ik heb maar aangenomen dat het woord bij het biljarten hoorde.
(Het heeft misschien te maken met een gebeurtenis tijdens een biljartwedstrijd tussen Dalfsen en Heino en dat er toen iets is gebeurd?)