Heel vaak was het de grote voorhamer die werd geleend. Nagenoeg altijd in het begin van het voorjaar. Het was altijd een boer die de hamer een ‘poosje’ kwam lenen. Mijn vader vroeg dan hoe lang dat ‘poosje’ duurde, want hij wist bijna 100% zeker waarvoor de boer de hamer ging gebruiken. Om er houten weidepalen mee in de grond te slaan.
– Dat ‘poosje’ werd al gauw een dag. Mijn vader kon de hamer wel enige tijd missen, maar hij zei wel dat hij de hamer zo snel mogelijk terug wilde hebben. En hij zei er ook bij dat hij de hamer kwam halen, als hij hem nodig had. Dat was nooit een probleem. Mijn vader gebruikte de hamer om een gloeiendhete ijzeren hoepel om een houten wagenwiel te slaan. Maar dat gebeurde toen bijna niet meer.
– Op een dag werd deze hamer weer eens uitgeleend. Mijn vader had hem niet nodig, maar het duurde hem te lang voordat de boer hem terugbracht. Hij fietste naar de boerderij van die boer om hem te zeggen dat hij de hamer nodig had. De boer deed verbaasd en beweerde dat hij de hamer niet had geleend. Dat bleef hij maar beweren!
– Daar stond mijn vader dan. Zogezegd: voor aap. Hij heeft niks meer tegen de man gezegd, is op zijn fiets gestapt en naar huis gereden. Hem kennende, denk ik dat hij de hele weg terug van binnen ‘kookte’. Hoe het is afgelopen? Werkelijk geen idee.