“Toekomstperspectief.“
Bij ons thuis gold dat ook. Mijn broer wilde maar wat graag het bedrijf van mijn ouders, een landbouwmechanisatiebedrijf, overnemen.
Als het bedrijf van mijn ouders in een faillissement was gekomen – tussen haakjes: gelukkig niet! – dan had niemand geholpen. Dat weet ik wel zeker.
Mijn ouders moesten zichzelf maar zien te redden. Zelf voor een ‘boterham’ zorgen! Zo ging dat!
Als een boerenbedrijf zich niet kon/kan ‘bedruipen’, het niet ‘rooide/rooit’, dan moe(s)t ook naar een oplossing worden gezocht, naar een ander verdienmodel!
Inmiddels is in het kleine landje Nederland bijna een einde gekomen aan de textielindustrie (in Twente en Brabant), de mijnbouw (Limburg), de scheepsbouw (Amsterdam), enz., enz. Maar het lijkt wel, of de boerenbedrijven tegenwoordig NIET failliet kunnen/mogen gaan. Dat is flauwekul natuurlijk. Waarom zou een boerenbedrijf niet failliet kunnen/mogen gaan?
En: Waarom zouden (bepaalde groepen) belastingbetalers moeten (gaan) betalen voor het verloren gaan van zekere landbouwbedrijven, varkenshouderijen, pluimveebedrijven, e.d.?
De landelijke politiek, de regering, moet (eindelijk eens) flink worden, èn vooral: DOEN, want daarvoor zijn zij gekozen, nl. voor het:
REGEREN, DOORPAKKEN.
(Maar: “Zonder last of ruggespraak.” Het algemeen belang MOET voorop staan en NIET de partij!)