Voor de zoveelste keer: slaapkamerarrest (5)

Als mijn broer en ik iets hadden ‘uitgespookt’, dan overlegden onze ouders altijd met elkaar welke straf wij moesten krijgen.

Zodra wij Pa uit de smederij zagen lopen, renden wij naar binnen en liepen we naar de trap, naar boven, naar de slaapkamer. Wij verstopten ons daar ergens, of we gingen – wat later slimmer bleek – direct naar boven.

Als we het te bont hadden gemaakt en Pa kreeg ons te pakken, dan kregen we met zijn aluminium duimstok een paar flinke tikken op de billen. Maar waren we al in de slaapkamer, dan bleef het daarbij. ‘Jullie hebben vanaf nu slaapkamerarrest’, zei hij dan.

Toch vermaakten we ons dan ook wel. We verzonnen allerlei spelletjes, of lagen gewoon op bed met een Donald Duck. Of we keken uit het raam naar het schoolplein, het kruispunt, de Hoevenweg en de Hessenweg.

Af en toe speelden we “glijbaantje”. Dan haalden we de strijkplank uit de kast, plaatsten die schuin tegen de rand van ons bed en gleden dan in de blote kont naar beneden, waar we op de kussen, die we op de grond hadden gelegd, terecht kwamen. Soms slopen we naar de magazijnruimte, waar we via de slaapkamer van onze ouders konden komen.

Het gebeurde een keer dat mijn broer en ik in de magazijnruimte in slaap zijn gevallen. Toen Ma ons riep, kreeg zij geen antwoord. Na lang zoeken vond zij ons beiden in diepe slaap, in een “hut van koedekkens”.

Op een zaterdagmiddag hadden we helemaal geen zin in “slaapkamerarrest”. Het weer buiten was te mooi. We kropen via het doucheraampje naar buiten en stapten via de dakgoot op het keukendak met grint. Heel voorzichtig liepen we op kousenvoeten over het platte dak. We lieten ons aan de dakrand hangen en kwamen zo op het tuinpad terecht. Daarna haalden we voorzichtig onze klompen uit de schuur en kropen achterom de bessen- en kruisstruiken naar de tuin van de buren, tot de hoge, dikke kastanjeboom die daar stond. Eerst verstopten we onze klompen in het hoge gras en klommen daarna vlug de boom in. Samen gingen we op een dikke tak zitten. Tussen de bladeren door zagen we op de zandweg in de verte een paard en wagen komen. Een drietal koeien liepen er achter. Het was onze Opa. Hij was slager en had een slagerij met winkel in het dorp. De koeien die hij slachtte, kocht hij op de veemarkt in Zwolle. De varkens kocht hij rechtstreeks bij de boeren in de omgeving van D.
We kropen naar het eind van de dikke tak, gingen aan die tak hangen en lieten ons vallen toen de wagen precies onder ons reed. Opa, het paard en de koeien schrokken enorm van het lawaai. Toen het weer rustig werd, vertelden wij hem alles. “Jongens”, zei hij, “jullie gaan met mij mee de koeien naar de wei (in de Hooislagen) brengen. Als we weer terug zijn, dan praat ik wel met jullie ouders.”

Hij hield woord. Eerst keken onze ouders ons even streng aan, maar toen wij hen hoorden lachen om wat Opa te vertellen had, voelden wij dat alles weer koek en ei was.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *