Om mijn vader na zijn ernstig auto-ongeluk afleiding te bezorgen zorgde mijn moeder er o.a. voor dat er een hond in huis kwam. Een kortharige poedel. “Pasja” was zijn naam.
– Het was een goede, lieve hond. Tenminste zolang mijn vader leefde. Na zijn dood ging ‘Pasja’ zich heel anders gedragen. Dat kwam misschien ook wel door mijn moeder, want zij had weinig aandacht voor de hond. Dat dacht ik tenminste. Zij ging vrijwel niet met hem naar buiten. Wel deed zij de voordeur open met (volgens mij) de gedachte: ‘Hond, je moet je maar even zelf zien te redden.’
– Het gebeurde – op het moment dat de postbode kwam – dat de hond dwars door de onderste ruit van de voordeur rende. Enorme schrik en ravage natuurlijk!
– Omdat de hond meestal alleen naar buiten ging, moest hij wel regelmatig gewassen worden. Als ik thuis was, dan ging ik met hem onder de douche. Dat vond de hond helemaal niet leuk, maar het was nodig! Na flink wat shampoo en spoelingen was hij weer helemaal de ‘oude’. Schoon en fris dus. En: gelukkig had de poedel kort haar. 🙂