Op een dag zat ik bij mijn broer in de auto op weg naar Oostenrijk. Hij had mij gevraagd of mee wilde gaan. In Innsbruck stond een fabriek waar plasticproducten werden gemaakt. O.a. rollen plastic voor het inpakken van afgemaaid gras en hooi. Aan de westkust van Ierland – ook toen ging ik met hem mee – had hij bij een fabriek een paar landbouwmachines gekocht, die hij in Nederland op de markt wilde brengen. Dezelfde machines werden door boeren in Noorwegen en Zuid-Afrika gebruikt. Er hadden boeren tegen hem gezegd dat het niks zou worden met die machines. Maar toch zette hij door. En hoe! Tegenwoordig zie je overal bollen en pakjes op het land liggen.
We kwamen op het terrein van de fabriek en werden hartelijk ontvangen door een aardige, maar flink loensende dame. Maar toch kon je niet vinden dat zij lelijk was. We werden door de fabriek geleid en zagen allerlei soorten machines staan en ook producten liggen als boterhamzakjes en vuilniszakken. De dame hield stil bij een nieuwe, grote machine en vertelde dat hier het product werd gemaakt waarvoor mijn broer belangstelling had. De machine kon twee kleuren plastic maken: wit en lichtgroen. Mijn broer ging met haar mee naar een kantoor voor het afhandelen van de ‘aankoopvoorwaarden’. Ondertussen keek ik wat rond.
Toen ik mijn broer weer zag, zei hij droog dat hij de koop was gesloten, maar dat hij het aanbod van de dame om samen ergens te gaan eten had afgeslagen. “Zij probeerde mij te versieren,” zei hij met een grijns. “Ik heb het plastic in de lichtgroene kleur besteld. Breur, we zoeken het hotel op. En morgenvroeg: naar huis!”