De eerste dienstreis (kv 104)


Af en toe kreeg ik in mijn militaire dienstijd een dienstrit. De dienstmaat, die de ritjes regelde, zat zich vrijwel de gehele dag te vervelen in zijn kantoortje. Dat ik de rit kreeg was niet zomaar, want hij wilde graag mijn draagbare radio een hele dag lenen.

De radio had ik door ruiling gekregen. Tijdens een ‘Bingo-avond’ in de kazerne – er was buiten dat en een wekelijkse filmavond niets anders te doen in de kazerne – won ik een draagbare grammofoon. Iemand had een 45-toeren plaatje. Ik vond er niets aan, maar het lied schalde bijna zestien uur, dus in het parate weekend, snoeihard over het grote plein tussen beide gebouwen. Om ‘gek’van te worden, maar sommige dienstmaten konden er maar geen genoeg krijgen. Het plaatje ‘Hup, zei mijn simmetje, daar gaat ie weer …’ werd grijs gedraaid. In dat weekend sprak ik ook iemand die de grammofoon wel wilde ruilen. Nadat ik de draagbare radio zag, zei ik direct ‘ja’.

Mijn eerste dienstrit was van Steenwijkerwold naar Ermelo. Ik had bedacht dat ik dan ook even bij mijn ouders langs zou gaan. Hoewel de afgelegde kilometers na de rit werden gecontroleerd, durfde ik de gok – ongeveer 12 à 15 km omrijden – wel te wagen. Ik had een goede smoes bedacht. Bij de watertoren in de Lichtmis verliet ik de autoweg en reed daarna over een paar binnenweggetjes naar huis. Bij de boerderij achter ons huis reed ik her erf op en parkeerde de (militaire) auto, een WEB (1-tonner), naast de hooiberg. Daarna liep ik vlug over het tuinpad naar ‘ons huis’. Ik verraste mijn moeder in de keuken. Mijn vader kwam ook even uit de werkplaats om mij te zien en te spreken.

‘Enerverende’ marsliedjes


Tijdens mijn opleiding in militaire dienst leerde ik onderweg met ‘volle bepakking’ allerlei marsliedjes.

Een paar slechts heb ik onthouden.
En ja, je hebt gelijk, het zijn niet direct de netste. 😊

Kaatje ging eens water halen

In een hele diepe put

Toen kwamen zeven kannibalen

Die grepen Kaatje bij haar …

Keurig opgestreken bloessie

En:

Oh, Donna Clara

Ik heb je nakend gezien

… ???

(Hoe het verder gaat, weet ik niet, en meer weet ik ook niet.)

Wat, als je niet weet wat je wilt worden? (kv 81)


Dan is dat een ‘ramp’. Een ‘ramp’? Ja, zeker wel. Ik zal proberen dat ‘uit te leggen’.
–  Tot mijn middelbare schooltijd werd nauwelijks met mij gepraat over wat ik later wilde worden. Ik had wel een vermoeden, maar ik begon er zelf ook niet over. Voor het ouderlijk bedrijf was ik niet geschikt. Dat wist ik wel, want ik was geen handelaar en te secuur. Te precies in het werk. En dat kan niet ‘in die wereld’.
–  Ik hielp weleens in de werkplaats en in de winkel, want ik had er geen hekel aan, maar toch had ik niet genoeg ‘hart voor de zaak’. Mijn broer wel, maar hij was tweeënhalf jaar jonger dan ik, en dat vond ik best wel jammer. Ook voor hem.
–  Maar het is gelopen, zoals het blijkbaar moest lopen. Ik heb voortreffelijke ouders en een broer gehad. Een fijne jeugd. Nooit heb ik een wanklank, of verwijt uit hun mond gehoord.
–  Mijn ouders hebben mij na de lagere school twee keer laten testen. De eerste keer in Zwolle en later nog een keer bij de zus van mijn tante in Amsterdam. Het resultaat van beide testen kwam ongeveer op hetzelfde neer: ik zou het diploma HBS-A kunnen gaan; de richting ‘fijn techniek’ zou een keuze kunnen zijn, maar omdat ik van algebra en meetkunde weinig verstand had, viel deze optie af. Om dezelfde reden ook de opleiding voor onderwijzer. Dat vond ik jammer.
–  Er waren in en na mijn middelbare school- en militaire diensttijd allerlei vervelende en nare voorvallen. Maar gelukkig was niet alles ‘negatief’. Zo kreeg ik kennis aan een heel lieve meid met wie ik ben verloofd en getrouwd. Nog steeds.
–  Binnen veertien (!) dagen na mijn militaire diensttijd kreeg ik een baan bij de gemeente Kampen. In die gemeente en een volgende gemeenten was het hard werken ‘geblazen’, met veel studie erbij. Maar aan hard werken is nog niemand dood gegaan.

Van mijn keuze heb ik geen spijt gekregen. Volgens mij heb ik ‘bereikt’ wat er voor mij te bereiken was. Het mogen clichés zijn, maar ik zeg het maar zo:
Jezelf blijven, eerlijk zijn en volhouden, want: ‘De aanhouder wint’.