Waterpokken (kv 91)


Met ons drieën keken wij door het raam van de slaapkamer van mijn broer en mij naar het grote paasvuur in het weiland dat net werd aangestoken. Mijn moeder keek ook, maar of mijn vader erbij was, weet ik niet meer. Waarschijnlijk was hij in de smederij  aan het werk.
–  Van mijn moeder moest ik een trui aantrekken, omdat er mouwen aan zaten. Waarom? Omdat ik de waterpokken had. Zij was ‘bang’ dat ik mij zou gaan krabben, want waterpokken kunnen vreselijk jeuken. Daarom moest ik een ‘beschermende’ trui aan doen, was haar uitleg.
–  Wat ik mij nog meer herinner? Het was een mooi vuur, veel rook, veel jeuk en een veel te warme trui.

Jeuk (kv 79)


Met de fiets aan de hand liep ik over ‘de Melkmarkt’ in Zwolle. Ik kwam net uit school en was op weg naar huis, maar ik moest die dag eerst even over de markt lopen, omdat het marktdag was.
–  Het marktgebeuren vond ik altijd bijzonder. Nog steeds. Niet zozeer om de drukte, maar wel om al die kleuren te zien van het fruit, de verschillende soorten kazen, aardappels, vis, enz.
–  Bij een lange groentekraam stonden twee marktkooplieden. De één, een man, prijsde luid zijn waar aan. De ander, een vrouw, viel op. Wat zij deed, had ik niet eerder gezien. Ze stond zich opzichtig te krabben en wel op een plek, waar je dat niet direct zou verwachten. Ik vond het een eigenaardig, ongemakkelijk, maar ook een onfatsoenlijk gezicht.