6. De kat die kon liften; 7. Oorlogjespelen; 8. Naar de kleuterschool; 9. In de jeugdherberg in Huy; 10. Op de driewieler; 11. Fietsen op een doortrapper


De kat die kon liften (6)

Als ik na schooltijd naar huis liep, kwam ik ook langs de opslagruimte met materiaal dat nodig was voor het lassen: carbid. Op deze ruimte lagen golfplaten, waarop ‘Mies’, de kat, zat te wachten. Zodra ik daar langs liep, sprong de kat naar beneden, op mijn schouder. Met de poes ‘als passagier’ liep ik naar de keukendeur.

Oorlogjespelen (7)

Mijn vader groef elke week wel een kuil in de tuin achter het schuurtje. Daarin werden alle brandbare spullen, zoals krattenhout, papier en karton, gegooid en als de kuil vol was werd alles verbrand.
In de zomervakantie speelden mijn broer en ik vaak in zo’n pas gegraven kuil. Soms maakten we een kuilhut met een afdakje erop, of een ‘fort’ met een ‘kanon’ van afvalhout. We ‘schoten’ op alles wat we maar in de buurt van de hut zagen. Dus ook op de hooiberg van de buren. De hooiberg stond misschien drie meter van de boerderij. Mijn broer en ik schrokken geweldig toen we plotseling rook uit de hooiberg zagen komen en even later een grote steekvlam. We werden bang, kropen vlug uit de kuil en renden naar de keuken om het vreselijke nieuws aan ma te vertellen.
Later hoorde ik van mijn moeder dat een kleinzoon van de buren bij de hooiberg met lucifers had gespeeld.

Op de kleuterschool (8)

Hoe vaak en hoe lang ik naar de kleuterschool in het dorp ben geweest, weet ik niet. Soms ging ik met de ‘melkrijder’ mee die met zijn paard en wagen de volle melkbussen naar de melkfabriek in het dorp bracht. Af en toe maakte het paard een ‘bijzonder geluid’. De melkrijder zei dan meestal: “Het paard maakt weer muziek.”
Hoe ik bij de kleuterschool en weer thuis kwam, weet ik niet.
Ik vond het fijn op de kleuterschool. De juf was heel aardig. We deden allerlei leuke spelletjes met elkaar. Ik leerde zo veel jongens en meisjes uit het dorp kennen. Het was in het gebouw nogal donker, ongezellig en ook een beetje geheimzinnig.
Veel kinderen ontmoette ik later op de middelbare school.

In de jeugdherberg in Huy (9)

Tijdens een fietstocht met mijn Brusselse vriend in België, Luxemburg en een stukje Zuid-Nederland, kwam ik in de jeugdherberg van Huy. ’s Nachts werd ik wakker, omdat ik nodig moest plassen. We sliepen op de derde verdieping van de jeugdherberg. De toiletten waren helemaal beneden. Ik was bang dat ik daar niet op tijd kon komen, dus opende ik stil het raam van de slaapruimte en plaste ik naar buiten. Het lawaai dat toen te horen was, was enorm. Een geweldig kabaal in de stilte van de nacht: mijn urineplas was op een afdak met golfplaten terechtgekomen!

Op de driewieler (10)

Mijn vader had een driewieler voor mij gemaakt, waarmee ik regelmatig op het schoolplein reed. Het was op dat plein ‘lekker rustig’ zeiden mijn ouders. Dus.
De driewieler maakte veel lawaai, omdat de wieltjes enorm piepten.
Toen ik een keer vroeg, of er iets aan dat gepiep kon worden gedaan, zei mijn vader: ‘Nee. Als je moeder en ik dat gepiep horen, dan weten we waar je bent.’

Fietsen op een doortrapper (11)

Ik had de fiets gekregen, maar ik weet het niet zeker. In elk geval kon ik nog niet fietsen. De fiets was een ‘doortrapper’ en kon moeilijk worden geremd. Dergelijke fietsen waren echte ‘brekebenen’. Er was geen terugtraprem op de fiets, maar wel een handrem. De fiets heb ik niet lang gehad. ‘Te gevaarlijk’ volgens mijn ouders.
Op het schoolplein, waar ik met ook de driewieler moest rijden, heb ik het fietsen geleerd. Dat was moeilijk, omdat ik met één been onder de stang door moest om zo met een voet op de trapper te kunnen komen.
Na lang oefenen lukte het mij om een rondje op het schoolplein te rijden. Ik kon pas op het zadel gaan zitten, nadat mijn vader houten blokjes op de trappers had gemaakt. De blokjes vond ik ”kinderachtig”, maar er waren gelukkig meer kinderen die blokjes op de trappers hadden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *