7. Oorlogjespelen; 8. Naar de kleuterschool; 9. In de jeugdherberg in Huy; 10. Op de driewieler; 11. Fietsen op een doortrapper; 12. Spring snel achterop


Oorlogjespelen (7)

Mijn vader groef bijna elke zaterdag een diepe kuil in de tuin bij het schuurtje. Daarin werden spullen als krattenhout, papier en karton, gegooid. Zodra de kuil vol was werd alles verbrand.
In de zomervakantie speelden mijn broer en ik vaak in een nieuwe kuil. Soms maakten we er een afdakje op, of maakten we afvalhout een ‘bunker’ met een ‘kanon’ erop. We ‘schoten’ op alles wat we zagen. Dus ook op de hooiberg bij de buren. De hooiberg stond misschien 50 meter verderop en maar drie meter van de boerderij. Mijn broer en ik schrokken enorm toen we rook uit de hooiberg zagen komen en even later een grote steekvlam. We waren bang geworden, kropen vlug uit de ‘bunker’ en renden naar de keuken om het te vertellen.
Later hoorde ik van mijn moeder dat een kleinzoon van de buren met lucifers had gespeeld.

Kleuterschool (8)

Hoe vaak ik naar de kleuterschool in het dorp ben geweest? Af en toe ging ik met de ‘melkrijder’ mee omdat hij toch met zijn paard en wagen met de volle melkbussen naar de melkfabriek in het dorp moest. Af en toe maakte het paard een ‘vreemd geluid’. De melkrijder zei dan: “Hij maakt muziek.”
Hoe ik bij de kleuterschool en weer thuis kwam, weet ik ook niet.
Ik vond het wel fijn op de kleuterschool. De juf was heel aardig. Met de kinderen kon ik goed opschieten. We deden allerlei leuke spelletjes. Zo leerde ik veel jongens en meisjes die in het dorp woonden, goed kennen. De kleuterschool was in het gebouw, dat ook dienst deed voor kerkelijke zaken. Biinen was het vrij donker, ongezellig en een beetje geheimzinnig.
Veel kinderen ontmoette ik later weer op de middelbare school.

De jeugdherberg in Huy (9)

Tijdens de fietsvakantie in België, Luxemburg en een stukje Zuid-Nederland kwam ik met mijn Brusselse vriend ook in de jeugdherberg van Huy. (‘Hoei’) ’s Nachts werd ik wakker, omdat ik nodig moest plassen. We sliepen op de derde verdieping, maar de toiletten waren helemaal beneden. Ik was bang dat ik niet op tijd zou kunnen plassen, dus opende ik een raam in de slaapruimte en plaste ik zo naar buiten. Het lawaai dat toen te horen was, was enorm. Het was een enorm kabaal in de stilte van de nacht, omdat de plas op een afdak met ijzeren golfplaten terecht kwam!

Op de driewieler (10)

Mijn vader had een driewieler gemaakt, waarmee ik regelmatig op het schoolplein rondjes reed. Het was op dat plein ‘lekker rustig’ zeiden mijn ouders.
De driewieler maakte veel lawaai, omdat de wieltjes piepten. Ze werden niet geolied.
Toen ik een keer vroeg, of er iets aan dat gepiep kon worden gedaan, zei mijn vader: ‘Als je moeder en ik dat gepiep horen, dan weten we waar je bent.’

Fietsen leren (11)

Ik kon nog niet fietsen. De fiets waarop ik leerde fietsen was een ‘doortrapper’ en er kon maar moeilijk mee worden geremd. De fiets was gevaarlijk. Het waren echte ‘brekebenen’. Er zat geen terugtraprem op de fiets; wel een handrem. Op die fiets heb ik niet lang geoefend. ‘Te gevaarlijk’ volgens mijn ouders.
Op het schoolplein, waar ik met de driewieler moest rijden, heb ik dus ook het fietsen geleerd.
Het fietsen was extra moeilijk, omdat ik met een been onder de stang door moest om zo met de voet op de trapper te kunnen komen.
Na lang oefenen lukte het om een rondje op het schoolplein te rijden. Ik kon pas op het zadel zitten, nadat mijn vader houten blokjes op de trappers had gemaakt. De blokjes vond ik ”kinderachtig”, maar er waren gelukkig meer kinderen die blokjes op de trappers hadden zitten.

Spring snel achterop (12)

Wat ik in dat weiland te zoeken had, weet ik niet meer, maar opeens zag ik de eigenaar rennend op mij afkomen. Hij had een stok in de hand. Ik rende naar de zijkant van het weiland, kroop onder het prikkeldraad door en liep vlug naar de bosrand. Toen ik daar omkeek zag ik de boer nog steeds achter mij aankomen. De man klom over het prikkeldraad. Dus rende ik verder, totdat ik bij de zandweg met het fietspad kwam. Ik zag een fietser aankomen, die ik gelukkig kende. Hij zag mij staan en riep: “Spring snel achterop.”
Bij zijn huis bedankte ik hem voor de ‘lift’. Langs een omweg ben ik weer naar huis gelopen.

0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.