15. Woonwagen-1; 16. Woonwagen-2; 17. Huisslachting; 18. “Je moet kunnen rekenen.”


Woonwagen-1 (15)
Waarom de woonwagen daar was, weet ik niet. In elk geval stond op een dag de wagen bij de buren, op hun erf. Naast de hooiberg. Het paard liep waarschijnlijk in het weiland van de boer. Misschien dat de man op dat moment aan het werk was, want hij was stoelenmatter of iets dergelijks.
Toen ik daar stond te kijken zag ik een vrouw buiten bij de woonwagen aan het aardappels schillen. Ze legde het mesje in de bak met aardappels en vroeg, of ik even in de woonwagen wilde kijken.
Ook herinner ik mij dat ik alles in de woonwagen maar klein vond. Toch was ‘alles’ er te zien. Ik vond het heel bijzonder en mooi.

Woonwagen-2 (16)
In de tijd van de ruilverkavelingswerkzaamheden in de buurtschap stond een grote woonwagen bij ons huis. Het waren aardige mensen, die erin woonden. De man was kraanmachinist. Hij moest na een ‘karwei’ weer ergens anders naar toe. De familie had door het werk van de man een zwervend bestaan. Er waren twee meisjes en een jongen. Het oudste meisje was een jaar ouder dan ik. De jongste een paar jaar jonger dan ik. De jongen was net zo oud. Ze gingen tijdelijk naar ‘mijn’ school.
Het oudste meisje had kinderverlamming gehad. Haar rugwervel was krom. Zij sliep in een ‘voorgevormd’ matras. Dat beeld is mij bijgebleven. Ik kan mij niet herinneren of iemand zei dat zij op school niet konden ‘meekomen’.
Op een dag moesten ze vertrekken. De woonwagen werd achter de vrachtwagen, met daarop de graafmachine, gekoppeld, waarna de familie vertrok. Ik heb daarna nooit meer iets van hen gehoord.

Huisslachting (17)
Regelmatig was er ergens ‘huisslachting’. Meestal gebeurde dat in de maand september. Ook bij de achterburen gebeurde dat. Er zou een varken worden geslacht.
Men was het niet verplicht, maar net als bijvoorbeeld met het dorsen, kwam iedereen helpen als er tijd voor was. Ik geloof dat mijn moeder ook meehielp.
Het wachten was op de slager uit het dorp, want hij deed het slachtwerk. Het door hem met een schietmasker gedode varken werd door een aantal mannen op de rug op een ladder gelegd en aan de poten vastgebonden, waarna met het slachten kon worden begonnen. Een tijdje later werd de ladder door dezelfde mannen tegen het rieten dak van de boerderij gezet. De slager ging weer verder met zijn werk. Het slachtvlees e.d. werd in de boerderij gebracht. De vrouwen maakten daar het vlees klaar om het in de Keulse potten te kunnen doen en maakten ook de worsten. Een deel van de worsten werd onder de zolder opgehangen om te drogen. Na de schoonmaak ging iedereen weer naar huis. Men kreeg meestal iets mee als dank voor de hulp. Mijn moeder kreeg een bloedworst, geloof ik. Heerlijk smaakte de worst. Gebakken en daarna een beetje stroop erop.

“Je moet kunnen rekenen.” (18)
Na het eindexamen van de middelbare school vroeg mijn Opa mij wat ik van plan was te gaan doen. Hij had wel een idee, zei hij. Een plek op een plaatselijke bank vond hij wel iets voor mij. Ik zei dat ik geen ‘cijferman’ was en dat ik niet van rekenen hield. “Wie niet kan rekenen”, antwoordde hij, “die krijgt ook geen goede baan.” Iets dergelijks was het wat hij toen zei. Ik heb hem geen antwoord gegeven.
Vanaf dat moment vond ik hem een egoïstische, slimme man.Gelukkig heb ik mij goed zonder hem kunnen redden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *