12. Spring achterop; 13. Helpen bij het dorsen; 14. Naar de TT


Spring achterop (12)

Wat ik in dat weiland ‘te zoeken had, weet ik niet, maar opeens zag ik de eigenaar rennend op mij afkomen. Hij had een stok bij zich. Ik rende naar een zijkant van het weiland, kroop onder het prikkeldraad door en liep vlug naar de bosrand. Toen ik omkeek zag ik de boer achter mij aankomen. Ook zag ik hem over het prikkeldraad “klimmen”. Dus rende ik verder, tussen de boomstammetjes door, totdat ik bij de zandweg met het fietspad kwam. Er zag een fietser komen, die ik kende. Hij zag mij staan en riep: “Spring snel achterop.” Hij kende de boer als …!
Bij zijn huis bedankte ik hem voor de ‘lift’. Langs een omweg ben ik weer naar huis gelopen.

Helpen bij het dorsen (13)

Het was de gewoonte in de buurtschap om mee te helpen als er bij een boerderij werd gedorst. Iedereen, jong en oud, mannen en vrouwen, die niets bijzonders te doen hadden, hielpen mee. Het dorsen begon s‘ morgens al vroeg. Zodra de dorsmachine gereed gemaakt was voor gebruik, dat wil zeggen: de tractor ervoor voor de aandrijving van de dorsmachine, kon het dorsen beginnen.
Wat ik daar deed? Enkel voor de spannende dingen. Met de kinderen uit de buurt maakten wij, mijn broer en ik, van de strobaaltjes lange gangen, waarin we ‘tikkertje’ en ‘verstoppertje’ speelden.

Naar de TT (14)

Naar motoren en motorraces kijk ik nog steeds met plezier. Dat zal wel door mijn vader komen. Hij had ooit een motor, een DKW.
Op een zaterdagmiddag ben ik met mijn vader naar de TT bij Assen geweest. We keken een aantal ronden naar de race in de 500cc-klasse. (Het motormerk Jawa deed  ook mee, geloof ik.)
Om een hele zaterdag naar de motorraces te gaan kijken en daarvoor het (landbouwmechanisatie)bedrijf te sluiten, dat kon niet volgens mijn vader. “Dat kan bruintje niet trekken“, zei hij.
De knecht was ook meegegaan, want ook hij was een motorliefhebber. (In die tijd was de naam “knecht” heel gewoon. Net zo de namen “Zwarte Piet” en “Negerzoenen”.)
We woonden vlakbij de Hessenweg. (De weg is er nog, maar is veel drukker en gevaarlijker geworden.)
In een gehucht verderop woonde iemand die in Zwolle werkte. Hij – een oom Erben Wennemars – kwam elke werkdag twee keer hard langs ons huis rijden op zijn Jawa Twin. Een mooi gezicht, vond ik. Als hij passeerde, dan was het: Zoeffff. De man heeft ook een poos in de zaak van mijn vader gewerkt en naast ons huis gewoond. Een fijne vent. Ik herinner mij ook dat wij, mijn vriendin en ik, na het bezoek (“visite”) bij hem en zijn vrouw om twaalf uur ’s nachts nog een kop soep kregen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *