13. Dorsen; 14. Naar de TT; 15. Woonwagen-1; 16. Woonwagen-2; 17. Huisslachting; 18. Rekenen


Dorsen (13)

In de buurtschap hielp men mee als er gedorst moest worden. Iedereen, die op dat moment niet veel te doen had, hielp mee. Het dorsen begon s‘ morgens al vroeg. Zodra de dorsmachine gereed stond voor gebruik, d.w.z. de tractor ervoor gezet voor de aandrijving, kon met het dorsen worden begonnen.
Wat ik daar deed? Met de andere kinderen uit de buurt maakten we van de strobaaltjes lange gangen, waarin we ‘tikkertje’ en ‘verstoppertje’ speelden. Spannend!

Naar de TT (14)

Naar de motorraces kijk ik nog steeds met veel plezier. Dat komt door mijn vader, denk ik, want hij was een motorliefhebber en bezat ooit een motor. Een DKW, geloof ik.
Op een keer, een zaterdagmiddag, ben ik met hem naar de TT in Assen geweest. We zagen daar een aantal ronden in de 500cc-klasse. (O.a. Jawa deed ook mee.)
Om de hele zaterdag naar de motorraces te gaan kijken kon niet, want dan zou hij zijn bedrijf, een (landbouwmechanisatie)bedrijf, moeten sluiten. Dat kon bruin niet trekken, zei hij.
De knecht ging toen ook mee. Ook hij was een groot motorliefhebber. (In die tijd was de naam “knecht” heel gewoon. Andere voorbeelden zijn Zwarte Piet, Negerzoenen en Jodenkoeken.)
We woonden vlakbij de Hessenweg. In Oudleusen, een gehucht verderop, woonde iemand die in Zwolle werkte. Hij – een oom van Erben Wennemars – kwam elke werkdag twee keer hard langs ons huis rijden op een Jawa Twin. Als hij passeerde, dan was het meer van: Zoeffff. Deze man heeft een poos bij mijn vader gewerkt en in een woning naast ons huis gewoond. Een fijne vent. Ik herinner mij dat mijn vriendin en ik, tijdens een bezoek aan hem en zijn vrouw, om twaalf uur ’s nachts nog een kop soep kregen en hebben opgegeten.

Woonwagen-1 (15)

Waarom de woonwagen er stond, weet ik niet. In elk geval was op een dag de wagen daar; op het erf van de buren. Naast de hooiberg. Het paard liep waarschijnlijk in het weiland van deze loonwerker/landbouwer.
Misschien was de man op dat moment aan het werk, want hij was stoelenmatter.
Toen ik daar stond te kijken was zijn vrouw buiten voor de woonwagen aardappels aan het schillen. Ze stopte met schillen en vroeg, of ik misschien even in de woonwagen wilde kijken.
Ik herinner mij dat ik alles in de woonwagen maar klein vond. Ik vond het heel bijzonder en mooi.

Woonwagen-2 (16)

In de tijd van de ruilverkavelingswerkzaamheden stond bij ons huis een grote woonwagen. Het waren aardige mensen, die erin woonden. De man was kraanmachinist. Hij moest na een ‘karwei’ telkens weer ergens anders naar toe. De familie had door het werk van de man een zwervend bestaan. Er waren twee meisjes en een jongen. Het oudste meisje was een jaar ouder dan ik. De jongste een paar jaar jonger dan ik. De jongen was net zo oud. Ze gingen tijdelijk naar ‘mijn’ school.
Het oudste meisje had kinderverlamming gehad. Haar rugwervel was krom. Zij sliep in een ‘voorgevormd’ matras. Dat beeld is mij bijgebleven.
Op een dag moesten ze vertrekken. De woonwagen werd aan een vrachtwagen, met daarop de graafmachine, gekoppeld, waarna de familie al zwaaiend vertrok. Ik heb hen nooit weer gezien.

Huisslachting (17)

Regelmatig was er ergens ‘huisslachting’. Meestal gebeurde dat in de maand september. Ook bij de achterburen gebeurde dat. Er zou een varken worden geslacht.
Men was het niet verplicht, maar iedereen kwam helpen, tenminste als er tijd voor was. Mijn moeder hielp ook mee die dag.
Het wachten was eerst op de slager uit het dorp, want hij moest het slachtwerk doen. Met een schietmasker werd het varken gedood en daarna door een aantal mannen op de rug op een ladder vastgebonden, waarna met het slachten kon worden begonnen. Een tijdje later werd de ladder tegen het rieten dak van de boerderij gezet. De slager ging weer verder met zijn werk. Het vlees e.d. werd in de boerderij gedragen. De vrouwen maakten daar het vlees klaar om het in Keulse potten te kunnen doen. Ze maakten ook de worsten. Een deel van de worsten werd aan de zolder gehangen. Om te drogen. Na het schoonmaken ging iedereen naar huis. Men kreeg iets mee als dank voor de hulp. Zo kreeg mijn moeder een bloedworst.
De worst smaakte heerlijk. Gebakken en met een beetje stroop erop.

Rekenen (18)

Na het eindexamen van de middelbare school vroeg mijn Opa wat ik van plan was nu te gaan doen. Hij had wel een idee. Een plaats op de bank vond hij wel wat voor mij. Ik zei dat ik geen ‘cijferman’ was en dat ik niet van rekenen hield. “Wie niet kan rekenen”, zei hij, “krijgt ook geen goede baan.” Iets dergelijks was het wat hij zei. Ik heb hem maar geen antwoord gegeven.
Vanaf dat moment vond ik hem een egoïstische, maar wel een slimme man. Gelukkig heb ik mij altijd goed kunnen redden. Ook zonder hem.

0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *