19. ‘De Lach’; 20. Muziek op het bruiloftsfeest; 21. Zaterdagmiddag: harken; 22. De schoolfotograaf; 23. Pruimtabak; 24. Een koortslip


‘De Lach’ (19)

Als de middelbare school uitging, fietste ik altijd met dezelfde groep leerlingen terug naar huis. Sommigen moesten veel verder rijden, maar toch kon ik een paar kilometer met die groep mee. Er werd onder het fietsen veel gebabbeld en gekwebbeld.Er gebeurde altijd wel iets bijzonders. Zo ging De Lach rond tijdens het fietsen. Het blad bevatte foto’s van schaars geklede vrouwelijke filmsterren in badpak, bikini e.d., maar ook waren er pagina’s met moppen, cartoons en verhalen.
Wat men er ook van vond, of zei, het blad had veel belangstelling, want het blad ging van hand tot hand. Zo kreeg ik het blad meestal als eerste in handen, omdat ik maar een stukje meereed. Ook ik bekeek het blad met ‘losse handen’ (geen handen aan het stuur). Op een keer hoorde ik de waarschuwing te laat. Ik botste met mijn fiets tegen een kinderwagen. Het liep gelukkig goed af, maar dat hoorde ik pas later. Op dat moment schrok ik zo geweldig dat ik snel op mijn fiets ben gesprongen en zonder nog om te kijken – héél laf dus – ben weggereden. De anderen moesten enorm lachen, maar ik er op dat moment de lol er niet van in!

Muziek op het bruiloftsfeest (20)

Hoe het kwam dat ik werd gevraagd om op een bruiloftsfeest muziek te komen spelen, weet ik nog steeds niet.
Tijdens mijn middelbare schooltijd speelde ik blokfluit, sopraan- en tenorsaxofoon en banjo. Ook speelde in een bandje. Dat bandje stelde niet veel voor, maar het was gezellig. Je kon ‘stoer doen’ en zeggen dat je in een ‘bandje’ zat! Een jongen uit de hoogste klas speelde piano en mijn klasgenoot op een bas, gemaakt van een houten ‘theekist’. Het geluid van de bas was prima. Het resultaat van het samen spelen was best wel goed, vonden wij.
Op een dag werd ik dus gevraagd, of ik met het bandje wilde komen spelen op een bruiloftsfeest. Tegen betaling nog wel! Ik overlegde met de anderen. Het geld gaf de doorslag, maar er moest wel vooraf worden betaald.
Op de bewuste dag stonden we gedrieën bij dat feest op een soort podium. Toen we de eerste noten hadden gespeeld, werd het heel stil in de zaal. Zelfs akelig stil. We keken elkaar aan, speelden nog een paar liedjes en pakten toen alles vliegensvlug in en verlieten zonder nog wat te zeggen de bruiloftszaal.
Buiten verdeelde ik het geld, waarna we vlug naar huis gingen.
Of het door de muziek is gekomen, weet ik niet, maar ik heb de bruiloftsgasten nooit meer gezien. Ik heb er daarna ook niet naar durven informeren.

Harken (21)

Elke zaterdag moest aan het eind van de middag het erf worden schoongemaakt en geharkt. Dat wil zeggen: eerst werden de oude en nieuwe machines netjes bij elkaar gezet, al het ijzer werd bij elkaar gezocht en netjes opgeborgen in het ijzerrek en tot slot moest het erf door mijn broer en ik worden aangeharkt. Een vervelend karwei was dat. Er stonden ergens een paar houten hooiharken, wisten wij. Als er niet op ons werd gelet, dan renden we met een hooihark achter ons aan over het erf.
Toen we een keer bijna klaar waren, zag mijn vader ons zo rennen. Hij grijnsde om wat hij zag en zei: “Jongens, morgen is het zondag. Het oog wil ook wat. Als er maar strepen op het erf staan.” Meer zei hij niet, maar wij begrepen hem.

De schoolfotograaf (22)

Eén keer per jaar kwam de schoolfotograaf op de lagere school om foto’s te maken. Hoe het precies ging, weet ik niet goed meer. Voor de jongens had hij een autootje bij zich, maar wat hij voor de meisjes had meegenomen? De meeste kinderen kwamen die dag netjes gekleed op school, maar mijn moeder vond dat niet nodig. Dus gingen mijn broer en ik gewoon in onze ‘dagelijkse plunje’ op de foto. De foto kon via de school worden besteld en betaald.

Pruimtabak (23)

Sommige mensen doen ‘gemaakt’ lollig.
Bij mij viel dat op een keer helemaal verkeerd uit. Zelfs zo verkeerd, dat ik het nu nog weet.
Op een dag kwam een boer naar de smederij van mijn vader met een kapotte landbouwmachine. Hij zag mij staan en vroeg, of ik wel iets van hem wilde hebben. Ik was zo dom om mijn hand uit te steken.
Wat ik van hem kreeg? Een vies, bruin, nat, gekauwd stukje pruimtabak.
(Bah dus, smerig. Wat had die man een lol!)

Een koortslip (24)

Meestal kreeg ik koortslippen in plaats van één koortslip. Soms ook in en bij mijn neusgaten. Nog steeds is het niet voorbij met die ‘dingen’.
Mijn oma noemde dat ‘eigen’. Volgens mijn moeder heb ik het van haar gekregen, maar dat ‘eigen’ was iets wat ik toen niet begreep. Zij zei dat wel vaker.
Als ik het begin van een koortslip voelde opkomen, dan deed mijn moeder witte zalf op de plek. Zinkzalf heette dat ‘spul’, geloof ik. De zalf rook vreemd en het smaakte vies als ik per ongeluk iets van dat goedje in de mond kreeg.
Een ‘grapjas’ – ook hij was een  regelmatige klant van mijn ouders – merkte altijd op, zodra hij die witte zalf zag, of ik misschien een ‘witte snor’ kreeg. (Nog zo’n ‘lolbroek’ dus.)

0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *