25. “Je wilt zeker burgemeester worden”; 26. “Zij heeft er al haar op”; 27. Kersen eten; 28. Hanenkammetjes plukken; 29. Pesten; 30. “Paardje en tikkertje”


‘Je wilt zeker burgemeester worden’ (25)

Toen ik op de lagere school zat, werd ik regelmatig gevraagd wat ik later wilde worden. ’Smid zeker’ was dan de opmerking, nog voor ik kon antwoorden. Meestal zei ik maar niets. [Eerlijk gezegd wist ik het ook niet. :-)]

‘Zij heeft er al haar op’ (26)

Een buurjongen was een ‘meisjesgek’. Zo was hij in de buurt bekend. Inderdaad: om de haverklap had hij een ander meisje. Het meisje met wie hij was, had er haar op beweerde hij. ‘Je liegt het’, zeiden wij. ‘Als jullie mij niet geloven, dan vraag ik haar wel, of zij het een keer aan jullie laat zien’, zei hij.
Mijn broer en ik, de buurjongen en zijn broertje, waren op de afgesproken plek – in het fietsenhok achter de school – wachtend op wat er ging gebeuren. Het meisje kwam werkelijk, ging in het fietsenhok staan, deed haar rokje omhoog en trok haar onderbroekje naar beneden. Trots keek zij ons aan. Hij had gelijk, het was niet veel wat we zagen, maar wij konden het zien. Hij had dus niet gelogen.
Zodra we het hadden gezien, was het al niet spannend meer. Ook niet bijzonder.

Kersen eten (27)

Bij ons huis stonden drie flinke kersenbomen. De ene had zoete, lichtrode kersen. De tweede boom zoete, dikke, sappige, knapperige, donkerrode kersen. Die smaakten het lekkerst. Dan was er nog een leiboom tegen de muur van de paardenstal. De kersen aan die boom werden lichtrood, maar ze smaakten zuur. Heel erg zuur. Mijn moeder weckte deze kersen met behoorlijk veel suiker. De jam was nog wel te eten.
Om bij de lekkerste kersen te kunnen komen moesten mijn broer en ik voorzichtig op en over de schuur met ijzeren golfplaten klimmen en kruipen. Soms ging dat niet zo voorzichtig en dan hoorden wij roepen: ‘Jongens!’ Meer niet, maar het was voor ons genoeg. Pa!

Hanenkammetjes plukken (28)

Samen met mijn oma en moeder zocht ik in het bos, ten zuiden van het dorp, naar paddenstoelen, naar ‘hanenkammetjes’. Gebakken, met uitjes erbij, smaakten ze heerlijk.
In het bos stonden grote beukenbomen. Prachtige bomen. Onder die bomen lagen oude takken, takjes, basten van beukennootjes en onverteerd blad. Daartussen stonden de paddenstoelen. Opeens gilde mijn oma: ‘Een slang!’ Toen we kwamen kijken, was de slang nergens te zien. ‘Het was een pikzwarte slang van wel een halve meter lang’, beweerde mijn oma. (Volgens haar zeggen werd de slang steeds langer.)

Pesten (29)

Op de lagere school werd de meester van de klassen drie en vier vaak gepest. Hij was een goede man, vond ik, die veel van zijn werk hield, maar die niet streng genoeg kon optreden tegen sommige leerlingen. Omdat hij te goed was, zeiden mijn ouders.
De man woonde in het dorp en kwam altijd op de fiets. Het zadel van zijn fiets was een ‘gezondheidszadel’. Er waren niet veel mensen die zo’n zadel hadden. Dat ding vond ik lelijk. Op een dag had één van de drie ‘bandieten’ een bijna opgedroogde hondenkeutel in de gleuf van het zadel gelegd. Ik heb het van horen zeggen, maar de meester scheen na schooltijd gewoon op de fiets te zijn gestapt en naar huis te zijn gereden.

‘Paardje en tikkertje’ (30)

Soms speelden de jongens van de hoogste klas van de lagere school ‘paardje met tikkertje’. Ze vroegen dan een jongen uit een lagere klas om op hun rug te gaan zitten om de anderen af te tikken. Ook ik werd gevraagd.
Toen het spel begon, merkte iemand op dat mijn moeder tegen het glasraam tikte en wenkte. De jongen bij wie ik op de rug zat, liet mij op de grond zakken, waarna ik snel naar huis liep. Mijn moeder zei dat ik niet meer bij die jongen op de rug moest gaan zitten. Later vertelde zij dat bij de jongen thuis met DDD was gespoten, omdat er een vlooienplaag was.

0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.