Op de hooiwagen (21)


Regelmatig kwamen mijn broer en ik naar een boerderij in “de Kniepe”.
We waren altijd welkom.

De ouders van de landbouwer woonden in het oudste gedeelte van de grote boerderij. Er was daar een stoep met meerdere treden voor de voordeur. Voor de beide woongedeelten lag een mooie, grote tuin.

De boerderij was niet het eigendom van deze landbouwer. Hij pachtte de boerderij en de landerijen. Wie de eigenaar was en waar hij woonde? Geen idee. De “rentmeester” woonde in het dorp. Af en toe kwam hij “een kijkje nemen” op de boerderij. Hij reed langs ons huis op de fiets, of in een brik. De man was altijd goed gekleed, steeds in het groen, droeg een knickerbocker (drollenvanger, zeiden mijn ouders) en achter de band van zijn hoed zat een gekleurd veertje. Hij was afstandelijk en deed uit de hoogte.
Soms had hij een jachtgeweer bij zich. Er was dan een jachtpartij op de landerijen van de boerderij gepland. “Meneer” ging dan op een soort krukje zitten aan het eind van de jachtroute. Daar wachtte hij op het wild dat was “opgejaagd”. Ik mocht een keer als drijver meedoen, maar dat was tegelijk de laatste keer! Beschamend vond ik het.

Op het erf van de boerderij stonden twee enorme hooibergen. Tussen de hooibergen stonden een paar grote, houten schuren. Eén voor de kalveren en pinken, en één voor de varkens. Er was ook een stier. Een enorm beest met een ring in de neus met een stuk touw eraan, ergens aan de wand vastgemaakt.
KI (kunstmatige inseminatie) bestond toen nog niet. Dus brachten de boeren hun koeien naar de stier. Dat was een indrukwekkend gezicht. Op het erf was een ondiepe kuil, waarin de koe moest staan. Dat was gemakkelijker voor de stier, zei de eigenaar. De stier snuffelde eerst wat aan de koe, maar daarna was het meestal snel gebeurd. Er werd afgerekend en daarna vertrok de boer met zijn koe, of koeien.

Ook in de zomer ging ik vaak naar deze boerderij. Mijn broer en ik mochten daar allerlei karweitjes doen, zoals helpen met hooien en het voeren van het vee.

Als het hooitijd was en we mochten meehelpen op het hooiland, dan werden mijn broertje en ik, als de hooiwagen vol was geladen, bovenop het hooi gezet.
Op een mooie zomerdag was ik daar weer, maar deze keer zonder mijn broer. Ik mocht meerijden op de lege hooiwagen naar het hooiland. Toen er genoeg hooi op de wagen lag, werd een houten balk over de volle lengte van de wagen op het hooi gelegd. Aan de touwen aan de uiteinden van de balk werd eerst flink getrokken en daarna in de hoeken van de hooiwagen vastgeknoopt. Daarna werd ik bovenop het hooi gezet. De vracht was deze keer behoorlijk hoog, want de bovenkant van het hooi op de wagen raakte soms de onderste takken van de bomen die over de zandweg naar de boerderij hingen. Bij een hooiberg werd het hooi met een lange ‘jakobsladder’ in de hooiberg gebracht. Daar werd het hooi opgevangen en netjes ‘verdeeld’.
Of het door een kuil in de zandweg kwam, door een lekke band, of door de hoge lading hooi, weet ik niet, maar plotseling kieperde de hooiwagen om. De lading hooi kwam in het bosje langs de zandweg terecht. Ik vloog rakelings langs een paar boomstammen, maar gelukkig liep het allemaal goed af. De boer kwam geschrokken kijken, of ik iets mankeerde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *