Oom Gerrit (12)

Op een dag zeiden mijn ouders dat iemand uit het dorp bij ons thuis kwam inwonen.
Op de waaromvraag kreeg ik te horen dat hij zich niet meer alleen kon ‘redden’.
‘Ome Gait’ (Oom Gerrit) moesten wij hem gaan noemen.

Ik weet niet precies door wie dat destijds is geregeld, maar ik vermoed door mijn opa, want Ome Gait was ‘in de verte’ familie van hem.

Volgens mijn ouders was hij een aardige man. ‘Wel een echte vrijgezel,’ zeiden zij. Wat dat dan ook mocht betekenen.

Zodra hij bij ons woonde, liep hij bijna elke dag naar een kennis van hem. Die kennis woonde in de buurt. Hij hoefde niet ver te lopen. Bij hem kon hij over ‘vroeger’ praten.

Als hij ging, dan pakte hij zijn pet en wandelstok en liep naar zijn ‘kameraad van vroeger’.

Ome Gait had een vreemd loopje. Het leek op een ‘huppelpasje’. Nadat hij een eindje had gewandeld, ging hij steeds sneller lopen.

Toen hij ouder werd, ging het lopen steeds moeilijker. Hij kon zelfs niet meer stoppen als hij wandelde. Dan liet hij zich gewoon in de berm vallen.

Nog later begon hij te dementeren.

Toch hebben mijn broer en ik veel met hem gelachen. Als hij lachte, hoorde je zijn ‘vreemde’ lach. We maakten hem daarom regelmatig aan het lachen.

Als wij met hem kaarten, dan moest hij ook vaak lachen.
‘Pesten’ vond hij een leuk kaartspel. Als we dat speelden, dan deelden mijn broer of ik de kaarten, want dat kon hij niet meer. Wij zorgden er voor dat wij de meeste ‘tweeën en jokers’ kregen.

Tijdens het kaartspel gaven mijn broer en ik elkaar ‘tweeën en jokers’ onder de tafel door. Soms moest hij zoveel kaarten ‘kopen’, dat hij alle kaarten niet meer kon vasthouden. Hij maakte er dan een stapeltje van. Als dat gebeurde moest hij altijd enorm hard lachen.

Mijn moeder had voor haar verjaardag een gasoventje van mijn vader gekregen. Het oventje en de gasfles stonden in de keuken te ‘pronken’. Ze bakte heerlijke appelbollen, cake of een tulband.

Af en toe bakte mijn moeder ook kroketten. Zij prikte de hete kroket aan een vork en legde hem dan op het bord. We keken met belangstelling naar ome Gait om te zien wat hij ging doen. Hij kon niet wachten tot de kroket genoeg was afgekoeld. Hij deed er een beetje mosterd op en at de hete kroket met een paar grote happen op. Mijn vader beweerde dat ome Gait een slokdarm van ‘asbest’ had.

Nog iets bijzonder. Ome Gait kon uren naar de engeltjes op de Friese klok kijken. Ook dat vonden mijn broer en ik maar vreemd.

Mijn moeder vond de pet van ome Gait ‘te vies om aan te pakken’. Dus moest de pet verdwijnen. Op een dag was de oude pet weg.** Wel hing een andere pet aan de kapstok. Ome Gait droeg de nieuwe pet. Hij heeft nooit gevraagd wat er met zijn oude pet was gebeurd.

Hij werd steeds slordiger en vergeetachtiger. Als we hem hielpen bij het traplopen naar zijn slaapkamer, dan zagen we regelmatig munten en papiergeld onder zijn bed liggen. We verzamelden het geld en gaven het dan aan hem. Weer wat later was zijn geld overal te vinden. Op de wc-vloer, in de woonkamer, op de keukenvloer en buiten. Mijn broer en ik zeiden wel eens tegen elkaar: ‘We hadden schatrijk kunnen zijn.’

* Er waren in die tijd geen bejaardentehuizen en verpleegtehuizen.
** Mijn moeder had de vieze pet in het vuur onder de wasketel gegooid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *