De ‘lelijke eend’ (22)


Mijn vader kocht op een dag een nieuwe auto. Een 2CV, een “lelijke eend”.
Hij was enorm trots op deze auto. Af en toe plaagden we hem ermee, maar we moesten op onze woorden letten, want een verkeerde opmerking kon gevolgen hebben.

Maar eerlijk is eerlijk: de banken zaten goed, reed goed en was enorm zuinig. Toch vonden mijn broer en ik het geen auto, maar meer “een blikken doos op wielen”. Als je een vrachtwagen tegenkwam, of we werden gepasseerd door een auto, dan hoorde je opeens een vreemd geluid. Een “plop”. Het bleek het dak van de auto, een soort zeildoek, te zijn.
Af en toe kwam een flinke kier onder de deur. Je kon dan zo op het wegdek kijken. Ook dat kwam door passerende en tegemoet komende auto’s.
Apart vond ik ook de werking van de ruitenwissers. Als er regendruppels op de voorruit kwamen, of het motregende, dan hoefde mijn vader de ruitenwissers niet in te schakelen. Met een wieltje kon hij de wissers dan heen-en-weer bewegen om zo de druppels van de voorruit te vegen. Geen gezicht, maar wel bijzonder natuurlijk.
En dan die halve zijraampjes. Je kon er maar twee openen. Ze zaten in de beide voorportieren. Het halve raampje bleef na een flinke duw ergens vastzitten. Als dat niet lukte, dan bleef het raampje heen en weer gaan. Soms stond het halve raampje een poosje horizontaal. Ook dat had te maken met passerende auto’s.
Er waren nog meer vreemde dingen aan deze auto: het geluid van de motor, de voordeuren, de uitneembare banken, de beweegbare koplampen, de manier van starten, geen benzinemeter, maar een lange peilstok in de benzinetank, de versnelling en het luchtrooster.

Mijn moeder vond alles prima, zolang zij maar niet zelf hoefde te rijden. Zij had, werkelijk waar, niets, maar dan ook niets met auto’s. Ooit haalde zij haar autorijbewijs en ooit had zij ook een auto. Zij voelde zich niet “lekker” als zij in een auto reed, zei zij.

Zondags gingen we samen vaak op stap. Eerst was dat te voet, daarna met de fiets en de brommer, en tenslotte met de auto.
We gingen ook een keer met de “lelijke eend” naar Tecklenburg (Duitsland). De rit ging voorspoedig, totdat we bij het stadje kwamen. De toegangsweg was behoorlijk steil, zodat mijn vader flink moest schakelen. De auto “kroop” daarna naar boven. Mijn broer, of ik, of beiden, maakte(n) de opmerking of we misschien moesten helpen duwen. Mijn vader werd enorm kwaad en snauwde: “Als jullie je niet direct stilhouden rijd ik jullie hier het ravijn in!”

Het was een mooie dag, maar de “uitval” van mijn vader heb ik ook onthouden.
We hebben er nog vaak om gelachen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *