Kanovaren (15)


De kano stond buiten op een paar houten ‘bokken’. Het cadeau van mijn vader en moeder voor mijn veertiende verjaardag was een tweepersoons kano, waarvan de bodem niet goed meer was.
–  Mijn vader zei dat ik de onderkant van de kano het beste met zeildoek kon bespannen om het daarna te teren.
–  Van mijn moeder kreeg ik een stuk zeildoek (‘swilkie‘) en een handvol koperen kopspijkertjes. Van mijn vader een paar bokkenpoten en een blik met vloeibare teer.
–  Mijn broer en ik keerden de kano om en spanden het zeildoek over de onderkant en knipten het doek op maat. We spijkerden het zeil vast op de hoogste punten van de zijkanten van de kano. Het teren was een vies karweitje. De teer stonk enorm. Het drogen duurde langer dan we hadden verwacht. Toen alles gedroogd was, keerden we de kano om en verfden de rest van de kano met witte bootverf.

De kano zag er als nieuw uit. Er moest nog een naam op. Het werd de voornaam van het meisje met wie ik later ben getrouwd.

De kano moest naar de (Overijsselse) Vecht bij de stuw in “de Broekhuizen” worden gebracht. Hoe dat werd gedaan, weet ik niet. De sluiswachter was al op de hoogte gebracht. Hij vond het goed dat de kano in het stille gedeelte van het water bij de stuw werd gelegd.

Mijn broer en ik gingen voorzichtig in de kano zitten. Eerst klauterde mijn broer met zijn peddel in de kano. Daarna ik. Hoewel de kano flink wiebelde, ging het goed gelukkig. Er kwam geen water in de kano.
–  Kanoën was niet moeilijk. Ook niet met z’n tweeën. Het is gewoon een kwestie van goed ‘evenwicht bewaren’ en ‘tegelijk peddelen’.
–  Op de rivier werd de stroming van het water goed merkbaar. We peddelden schuin naar de overkant van de Vecht. Bij een aantal oevers was nauwelijks iets van de stroming te merken.
–  We zagen een smalle ‘doorgang’ in de walkant. Het was een oude ‘rivierarm’. Riet, veel waterplanten, zang- en watervogels zagen we daar. We hoorden de kikkers kwaken. Steeds verder peddelden we totdat we niet verder konden.

Terug naar de rivier. We gingen nog een eindje stroomopwaarts en toen terug naar de stuw. Plotseling hield mijn broer op met peddelen. Hij wees naar iets wat in het water dreef. Een ‘ding’ met een knoop erin, een condoom. We moesten lachen, maar wel zo hard dat de kano behoorlijk begon te wiebelen.

Met een stuk touw maakten we de kano vast aan een weidepaaltje op de wal en gingen daarna op de fiets naar huis. We zwaaiden naar de sluiswachter die bij de sluis bezig was. Hij zag ons fietsen en zwaaide terug.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *