Fietsen op een eenwieler (11)

In een circus zag ik een keer een clown op één wiel rijden. Hij gooide, terwijl hij rondjes reed in de piste, ronde voorwerpen in de lucht die hij tijdens het rijden opving.

Op een dag vroeg ik aan mijn vader, of hij misschien een wiel en een paar trappers voor mij had. ‘Maar één wiel?’, merkte hij lachend op. Hij vroeg niet wat ik van plan was, maar zei dat in de werkplaats ergens nog een wiel van een transportfiets en een paar trappers moesten liggen. “Misschien ook nog wel een zadel.” Ik vertelde hem wat ik van plan was. “Ik moet alles nu ook nog even aan elkaar lassen?” lachte hij. Dat kon wel zei hij en begon de lengte van mijn been te meten. Hij sneed met het lasapparaat een paar stukken van een oude, kapotte fiets af, zette het zadel op een zadelpen en lastte de overige delen aan elkaar. Tot slot draaide hij het wiel erin, laste de trappers vast en deed tot slot nog wat wind in de band. “Klaar is Kees”, zei mijn vader. De eenwieler was mooi geworden. “Maar nu nog fietsen!” Ik bedankte hem en zag mijn vader grijnzen.

Ik nam de eenwieler mee naar buiten en probeerde op het zadel te gaan zitten, maar dat lukte niet. Het zag er toch zo gemakkelijk uit in het circus. Maar ik zou en moest op de eenwieler kunnen fietsen!
Plotseling dacht ik aan de waslijn, een metalen draad, bij de keuken. Ik kon nauwelijks op het zadel blijven zitten en hield mij daarom steeds vast aan de waslijn. De hele dag oefende ik heen en weer langs het draad van de waslijn. Het ging steeds beter en gemakkelijker. Heel goed je evenwicht kunnen bewaren, dat was de kunst!

De volgende dag probeerde ik het opnieuw. Ik kon nu zelfs een bocht maken en ook keren met de eenwieler. De hele week bleef ik oefenen met het opstappen, afstappen van en rijden op de eenwieler, totdat ik de waslijn niet meer hoefde te gebruiken. Naar de Hoevenweg naast ons huis ging ik. Het opstappen en rijden op de eenwieler ging steeds beter. Natuurlijk hadden mijn ouders en broer wel stiekem gezien waar ik mee bezig was, maar ze lieten niets merken.

Op de volgende zaterdag vroeg ik mijn ouders en mijn broertje of ze wilden komen kijken naar mijn rijden op de eenwieler. Ze kwamen echt en zagen mij opstappen en wegrijden. Ik keerde niet direct om, maar ik reed op mijn gemak naar het dorp en daarna weer terug. Het was een tocht van ongeveer zeven à acht kilometer. Onderweg zag ik nog enkele jongens van ‘mijn’ school. Ze keken zeer verbaasd.

Dat ik op een door mijn vader in elkaar gelaste eenwieler kon rijden was iets waar ik enorm trots op was!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *