De bermpaal (1)

Op de achterkant van “de Wereldkroniek” stond altijd een verhaal over Tom Poes en Olivier B. Bommel (van Maarten Toonder).
Er stond ook eens een zwart-wit foto in van een jongen met zijn ‘zeepkist’. Met een autostuur en wieltjes met spaken.
Om zoiets te hebben, leek ons wel wat.
Wij gaan een zeepkist maken,‘ zei mijn broertje.
–  De volgende morgen – het was zaterdag – waren we snel klaar met wassen, aankleden en het ontbijt.
We gingen naar het schuurtje achter ons huis. Wat we van plan waren, hadden we  ongeveer een idee over. Ook over wat we nodig hadden om een ‘zeepkist’ te kunnen maken.
–  In het (landbouwmechanisatie)bedrijf van mijn vader was genoeg gereedschap.
Jaap,’ zei ik, ‘haal jij een hamer, zaag, duimstok, potlood en spijkers op, dan zoek ik naar de andere spullen.’
Het ophalen van gereedschap uit de werkplaats moest voorzichtig gebeuren, want mijn vader mocht niets merken. En als hij iets miste, dan zwaaide er wat.
We zagen hem buiten met iemand aan de praat. Dat was het moment om de spullen te kunnen halen.
– In het schuurtje vond ik mooie, stevige planken. Op de zolder boven de ruimte waar de paarden bij slecht weer en ’s winters werden beslagen, stonden een stoffige aardappelkist en zelfs een onderstel van een kinderwagen met ‘dichte’ wieltjes. Zonder iets aan mijn vader te vragen brachten wij de spullen vlug naar het schuurtje. Na veel getimmer en gezaag, passen en meten, maakten wij tot slot de wieltjes stevig vast aan de aardappelkist. Een autostuur was er niet, maar we hadden bedacht dat je ook wel met een paar stukken touw kon sturen. Het touw werd vastgemaakt bij de voorwieltjes.
–  Alles was klaar. Ik vroeg mijn vader of hij even wilde kijken. Toen hij de zeepkist zag en grondig had bekeken zei hij: ‘Dat ziet er goed uit. Mooi.‘ Meer zei hij niet!

De volgende morgen gingen we de zeepkist proberen. Het waaide behoorlijk en dat bracht ons op het idee om een zeil op de zeepkist te gaan maken. Mijn moeder wist al van de zeepkist en toen ik zei dat we er een zeil op gingen maken, zei zij: ‘Wacht even.’ Zij liep naar boven en kwam terug met een oud, flanellen laken. (De vorm en de kleuren kwam mij bekend voor, want mijn broer en ik hadden een pyjama van dezelfde stof. Het jeukte als de pyjama aan moest.) Ik nam het laken mee naar de schuur, knipte het tot een groot vierkant en timmerde de lap stof met krammetjes vast aan een soort van houten kruis. De mast met het zeil bonden we stevig met touw vast aan de achterkant van de zeepkist.
–  Voorzichtig duwden we de zeepkist naar en op de Hessenweg. Ik ging eerst in het wagentje zitten en pakte de touwen. Jaap hield de zeepkist goed vast. Toen liet hij los. De wind werd de ‘motor’.
–  Opeens hoorde ik mijn broer roepen: ‘Een auto!’ In de verte zag ik een vrachtauto. Ik probeerde te remmen, maar er was geen rem. Toen gaf ik maar een ruk aan het rechter stuurtouw, schoot de berm in met de zeepkist en kwam tegen een stenen bermpaaltje tot stilstand. Ik mankeerde gelukkig niets, maar het karretje en de mast waren stuk. De ‘resten’ brachten we vlug terug naar het schuurtje.
–  Mijn broer en ik waren zo geschrokken dat we niets aan onze ouders hebben verteld. We hebben nooit meer een zeepkist gemaakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *