Verkeerscontrole (2)

Aan de ‘Hessenweg’, een smalle, gevaarlijke weg, stond ons huis. Ook het kruispunt vlakbij, ‘de Potsenhoek‘, was gevaarlijk. Er gebeurden regelmatig ongelukken. Soms ook met dodelijke afloop. Eén ernstig ongeluk kan ik mij nog goed herinneren, maar daar wil ik het hier niet over hebben. Ook niet over het feit dat er zelfs een keer een auto in onze voortuin terecht kwam.
–  Ons huis was een ‘meldpunt’ van het Rode Kruis en de Wegenwacht. Voor PTT-zaken als telefoon- en telegramboodschappen was het huis een hulppostkantoor. Er was nog iets bijzondersBij ons huis begon ook de huisnummering in de wijk; eerst wijk G, later wijk F. Dat betekende ook dat daar de route van de postbode, de meteropnemer (voor het water- en elektriciteitsgebruik in de woningen en boerderijen in de wijk), de veearts, de politie, de bakker, de vrachtrijder, de melkrijder en de jagers (die als dank voor de ‘verse’ koffie van mijn moeder vaak een duif of ander wild gaven) begon en eindigde. Verder kwamen er vertegenwoordigers van bijvoorbeeld Stokvis (Zutphen) en O. de Leeuw (Zwolle). Mijn moeder was er maar druk mee, maar zij deed het met plezier. Zij vond het leuk. Men vond haar ‘geweldig’ natuurlijk. In de keuken zaten regelmatig personen te kletsen, die zich het kopje thee of koffie goed lieten smaken.
–  Maar op een dag verliep de dag anders dan anders. De politieman, die natuurlijk ook voor een kop koffie kwam, maar ook om even een praatje te kunnen maken met mijn moeder, stond even later streng op het verkeer te letten. Hij was behoorlijk prikkelbaar en deed net of hij ons niet zag.
–  Misschien dat het door de zon, het uniform, de pet of de hoge, leren laarzen kwam, maar we zagen dikke zweetdruppels op zijn voorhoofd staan. De politieman moest ons wel zien, want we stonden vlak voor hem. Hij mopperde iets onverstaanbaars en zei – wat wij wel hoorden – dat hij geen tijd had voor ‘snotneuzen’. “Weg wezen jullie,” zei hij en keek weer naar het verkeer op de weg. Hij deed net of hij ons niet meer zag. Wij bleven toch staan en zeiden ook niets. Ik zag dat mijn broertje zijn gulp opende, zijn piemeltje eruit haalde en daarna tegen – misschien ook wel in – de laars van de politieman plaste. Er gebeurde eerst niets, maar plotseling draaide de politieman zich om, pakte zijn fiets en reed, zonder iets te zeggen, weg.
–  Toen hij weg was, gierden we het uit van de lach. We liepen vlug naar binnen om Ma te vertellen wat er was gebeurd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *