Een bijna ‘afgerolde’ vingernagel (kv 112)


Op een dag werd ik achternagezeten door mijn broer. Zomaar. Uit gekkigheid, denk ik. Broer, dacht ik, jij krijgt mij niet te pakken.

Het begon in de keuken. Ik trok snel een keukenstoel bij de tafel vandaan, schoof de stoel tussen hem en mij en rende daarna door de woonkamer naar de deur voor de trap naar boven. Hij struikelde over de stoel, schoof hem snel opzij en rende mij achterna. Halverwege de trap had hij mij bijna bij de rechterenkel. Bijna, want zijn hand – ik weet niet meer welke – kwam onder mijn schoenzool, dat de vorm van een soort van zigzagvorm had, terecht. ‘Mijn vinger’, schreeuwde mijn broer plotseling.

Wat er daarna allemaal is gebeurd, weet ik niet meer. Wel weet ik dat het voorval voor zijn leven zichtbaar blijft.

1+