“VOORBIJ” (Uit: Wachtende perrons, ISBN: 9789463188876)


Maarten zat al een tijdje op de perronbank van station Aadorp te kleumen en vroeg zich af waarom hij daar nog was. De natte paraplu had hij geopend op de grond gezet; tussen zijn benen. Zijn duim en wijsvinger omklemden de rand van de paraplu. Op de wind die over het perron waaide, kon hij vat krijgen en houden maar bij zijn broer kostte dat meer krachtinspanning.
– Het was guur op het matig verlichte perron. Onaangenaam. Natte kou. Vanuit zijn gebogen houding keek hij uit zijn ooghoeken om zich heen. Alles zag er troosteloos uit, een leeg en donker treinstel versterkte dat beeld. Geen hond te zien, zou zijn broer Thomas zeggen.
– “Thomas, waarom ben je niet gekomen? Waarom bel je niet?” hoorde hij zichzelf hardop zeggen en voelde zich – mede daardoor – eenzaam, alleen, maar vooral oud. Hij moest aan zijn biljartvrienden denken. Waarom wist hij niet. Ook zij woonden in de woongroep “Eikenhof,” aan de rand van het dorp, vlakbij het bos. Ze zouden hem hier eens moeten zien zitten. Om die gedachte moest hij gniffelen.
– Hij keek op zijn horloge en haalde daarna zijn GSM uit de binnenzak van zijn regenjas. Een koelkast, volgens zijn zoon. Geen gemiste oproepen, zag hij. Er zou toch niets gebeurd zijn? Ook de ansichtkaart, die Thomas hem gestuurd had, had hij uit zijn jaszak gepakt. Op de voorkant van de kaart stond een foto van een Dikke Bertha, het grote kanon van de Duitsers. Hij had er vast een bedoeling mee. Op de achterkant van de kaart las hij: Aanstaande donderdagavond kom ik met de trein van vijf over zeven. Ik verheug mij op het weerzien. De groeten, Thomas.
– Maarten zuchtte. Het gesprek zou wel weer over vroeger gaan en over wat zij samen hadden beleefd. Hij was benieuwd of Thomas ook zou gaan praten over dat gedoe van bijna een jaar geleden met Annie, Thomas’ tweede vrouw en zo’n twintig jaar jonger dan zijn broer.
– Hij had het geen goed idee gevonden om met zijn broer te gaan praten en toch zat hij hier te wachten, in dit hondenweer. Hij schudde zijn hoofd. Thomas was niet gekomen. Waarom was hij überhaupt op de uitnodiging van zijn broer ingegaan? Nee, hij liet zich niet kennen; nooit zou zijn broer hem kunnen verwijten, of zelfs maar kunnen denken, dat hij de veroorzaker was van de onuitgesproken woorden die een wig tussen hen dreef.
– Moest hij Thomas bellen om te vragen waar hij bleef? Nee toch, zeker! Als hij ging bellen, dan kreeg hij vast en zeker Annie aan de lijn en dat was wel het laatste wat hij wilde. Dat zou vast nog meer ellende geven.
– “Hé, Maarten.”
 – Hij schrok op van zijn naam die over het perron galmde. “Thomas?” vroeg Maarten met grote, verwonderde ogen. Hij ging rechtop zitten en stond langzaam op.
– Thomas glimlachte en klopte hem op de schouder. “Sorry, ik heb een trein eerder genomen om een flink eind te kunnen wandelen. Ik wilde nadenken.” Hij grijnsde. “Ik moest toch nodig plassen. Maar gelukkig stonden er struiken langs de weg.”
– Maarten grijnsde met hem mee. Thomas was nog dezelfde wildebras van vroeger en wildplassen paste uitstekend bij hem.
– “Ik heb je toch niet te lang laten wachten?” vroeg Thomas.
– “Eerlijk gezegd, had ik niet verwacht jou vanavond nog te zien. Waarom heb je mij niet gebeld? Ik was behoorlijk ongerust.”
– “Maarten, mijn excuses. Niet aan gedacht. ‘k Ben ook de tijd vergeten!”
– “Blijven we hier op deze bank zitten, of lopen we naar het dorp voor een betere plek. Ik vind het hier een trieste bedoening,” zei Maarten.
– Thomas knikte. “Goed plan. Ik heb trek in een sloot koffie en daarna een goede borrel.”

De straten van het station naar het dorp waren donker en verlaten. Op andere dagen was het er niet veel drukker.
– “Geen hond te zien hier,” zei Thomas.
– Maarten zei maar niets, want anders kwam er nog een flauwe opmerking, wist hij.
– Bij t Wapen van Aadorp gingen de broers naar binnen. Het eetcafé stond bekend om zijn uitgebreide menukaart met bijzondere streekgerechten. Binnen was het aangenaam warm en op de achtergrond klonk: “Brothers in Arms” van Dire Straits.
– Thomas stootte hem aan, alsof door hun herinneringen aan deze muziek alles bij het oude was gebleven. “Het is hier beter dan op het perron,” zei hij droog.
– Het interieur was amper veranderd. Wel hadden de geweien aan de wanden nu plaats gemaakt voor oude reclameborden, werktuigen, geëmailleerde en andere gebruiksvoorwerpen van niet meer bestaande winkels en bedrijven in het dorp. Maarten was hier in geen jaren meer geweest, maar onmiddellijk kwamen zijn herinneringen boven uit de tijd waarin het café werd gebruikt voor bruiloften, vergaderingen, zang, muziek, toneel, film, dansen en voor andere verenigingen. De verhoging, het oude toneel, was er nog. Het luikje voor de souffleur ook.
– “Weet je nog hoe we de souffleur net zo goed konden horen als de acteurs zelf?” vroeg Thomas. “Zelfs tot achter in de zaal? Zo hoorden we het toneelstuk altijd twee keer. En dan die ellenlange pauzes, soms wel twee keer per uitvoering, de verloting, het Rad van Avontuur, de rook van sigaretten en sigaren, de lucht van koffie en bier!”
– Maarten lachte. “Kom,” zei hij, “laten we aan dat tafeltje bij het raam gaan zitten.”
– Aan het tafeltje met uitzicht op het pleintje, bekeken de broers de menu- en drankenkaart. Een poosje later kwam een man van achter de tap naar hen toe om te vragen wat ze wilden drinken.
– Thomas bestelde twee grote koppen koffie en twee gevulde koeken. “De koek doet mij altijd denken aan de militaire diensttijd,” grijnsde hij.
– “Weet Annie dat je hier bent?” vroeg Maarten, om het gesprek over zijn schoonzus in gang te zetten.
– “Nee. Ik heb haar niets verteld. Ik wilde je graag terugzien en met je praten, maar ook omdat ik wil dat het weer goed komt tussen ons.” Hij draaide zijn hoofd naar het raam. “Met de trein van vijf over tien ga ik weer naar huis.”
– Maarten kon zich niet langer inhouden. “Zeg, Thomas. Na ons laatste gesprek heb ik je gezegd dat er eigenlijk niets meer te zeggen viel. Maar, de waarheid is dat ik nog steeds aan dat gedoe van Annie moet denken. Mijn gedachten daarover wil ik heel graag kwijt.” Maarten schoof zijn stoel naar voren. “Ik kan het niet vaak genoeg zeggen: wat er ook gebeurt, jij en ik blijven broers!”
– Thomas zweeg.
– “Wij hebben samen zoveel meegemaakt,” zei Maarten. “Ik ben regelmatig voor jouw zaken mee geweest naar het buitenland. Maar ik ga nu echt niet zeggen: zand erover! Ook al hebben jij en Annie dat wél gedaan!” Hij wilde een slok koffie nemen, maar zette zijn koffiekopje terug op het schoteltje. “Toen ik de laatste keer bij jullie was, was de stemming anders dan anders.”
– “Anders?” vroeg Thomas, zonder zijn broer aan te kijken.
– “Het waren Annies felle ogen, haar plotselinge uitbarsting, en haar woorden: “Ik heb het helemaal met jou gehad. Je bent een lul, een grote lul, een klootzak.” Wat zij nog meer zei, wil ik niet eens herhalen. Kwetsend was het. Vernederend. Daarom ben ik weggegaan.”
– Thomas keek hem zwijgend aan, met fronsende wenkbrauwen.
– “Nog steeds snap ik de oorzaak niet helemaal,” zei Maarten. Zijn we uit elkaar gegroeid? Barstte die middag de bom, omdat Annie stinkend jaloers was op de manier waarop wij met elkaar omgingen? Eén ding weet ik wel zeker: een mens ziet meestal alleen wat hij of zij wil zien. Niet eerder heb ik aan jou verteld, wat ik van Annie vind: egoïstisch en bekrompen, iemand met veel poeha. Zij voelt het waarschijnlijk wel aan hoe ik over haar denk! Afijn, Annie moet mij eerst maar uitleggen wat zij met haar woorden bedoelde. Als jij denkt dat ik om een excuus ga vragen, dan heb je dat mis! Als zij het niet wil uitleggen, of als zij haar woorden normaal vindt, dan hoef ik haar niet weer te zien. Nooit meer. Punt!”
– Er viel een korte stilte. Thomas keek hem aan, schraapte zijn keel en sprak: “Ik ben vooral gekomen om het weer goed te maken tussen ons. Tussen jou, mij en Annie. Ja, ze was de laatste tijd anders: kortaf, labiel, onzeker, maar vooral emotioneel. Misschien last van de overgang? Opvliegers? Ik heb haar maar niets verteld over onze afspraak. Ze weet niet beter dan dat ik vandaag naar een oorlogsmuseum ben gegaan.”
– “Naar een museum?” Maarten keek Thomas grijnzend aan. “Je begrijpt dan vast ook waarom ik na dat gedoe met Annie het niet kon opbrengen om alles direct uit te praten. Misschien moest dat wel zo gaan. Anders was het op een ordinaire scheldpartij uitgedraaid.”
Maarten wachtte op een reactie van zijn broer. Wat ging er in hem om?
– “Ik denk nog vaak aan de tijd dat ik in Duitsland stage liep bij een landbouwmechanisatiebedrijf in een dorpje ten zuiden van München,” zei Thomas. “Jij haalde mij eind december 1963 op met een Daf 600, een koekjestrommel met een pienter pookje, omdat pa een ernstig auto-ongeluk had gehad en in het ziekenhuis lag. Je zat toen in militaire dienst en ik weet nog goed dat je verlof moest aanvragen om naar Duitsland te mogen reizen, maar dat je dat niet hebt gedaan.”
– “Op de terugreis zagen we op een verkeersbord Dachau staan,” viel Maarten hem in de rede. We zeiden tegen elkaar: “Dachau, wie wil daar nou wonen.”
– “Ja,” zei Thomas. “Niemand kon of wilde ons de plek van het beruchte concentratiekamp wijzen. Jij reed tenslotte naar het politiebureau om daar te vragen waar het kamp lag. Na een bijzonder slecht weggetje kwamen we bij de ingang aan. Wat waren wij nadien blij dat de schokbrekers van het Dafje het hebben gehouden.”
– Maarten fronste zijn wenkbrauwen. “Het was een rotplek. Het was een groot, kaal terrein, hier en daar met grint bestrooid, zonder bomen en gebouwen. Er was niet veel meer te zien dan wat hekwerk en prikkeldraad, en een paar kapotte, verroeste ovens.”
– “Misschien hadden de moffen toen zo’n haast dat zij niet alles hebben kunnen vernietigen,” merkte Thomas op.
– “Daar kon je best wel eens gelijk in hebben,” zei Maarten. “Het leek wel, of we op een andere planeet terecht waren gekomen. Ik weet het nog als de dag van gisteren.”
– Thomas knikte. “Jij weet vast ook nog wel,” ging hij in één adem verder, “dat er op een zondagmorgen een zwarte Opel Kadett op de zandweg voor ons huis stond.”
-Weer zag Maarten de man, die op die zondagochtend uit zijn auto stapte, weer voor zich: het was de buurman, het schoolhoofd, zijn meester.
– “De vrouw van de meester, die niets in de melk te brokkelen had, zat kaarsrecht op de voorbank in de auto,” zei Thomas grinnikend. “Pa ging direct naar buiten om te vragen of hij misschien kon helpen. Wij volgden hem, terwijl ma voor het raam van de woonkamer bleef staan. Nieuwsgierig.”
– Thomas zat weer op de praatstoel. Hij smeet met herinneringen over vroeger. Wilde Thomas het onvermijdelijke onderwerp vermijden?
– Maarten zuchtte en zei: “Wat zal die man de pest in hebben gehad om uitgerekend op de zondag motorpech te krijgen. Pa had direct in de gaten wat de oorzaak van de motorpech was.”
– Thomas zei met glimmende ogen: “Ik was nog geen tien, maar ik moest van pa achter het stuur gaan zitten en de koppeling ingedrukt houden. Ik kon amper over het stuur kijken. Jij, pa, jouw meester en zijn vrouw moesten de auto duwen totdat pa zou roepen: Nu! Dan pas moest ik de koppeling loslaten en gas geven als de motor aansloeg. En warempel, de motor sloeg aan!”
– “Ja, gelukkig.” onderbrak Maarten hem. “Maar jij stopte niet. Je reed door. We zagen de Kadett de zandweg afrijden en even later weer terugkomen. Je remde pal voor een dikke eik.”
– Thomas grinnikte: “Ik heb nog nooit zulke bleke gezichten gezien, toen ik jullie weer zag staan. Heb jij ook het gezicht van de meester gezien?”
– Maarten schudde zijn hoofd. “Ik weet alleen nog dat die man zo fijn was als gemalen poppenstront.”
– “Het rijden in die Kadett vond ik machtiger dan op een brommer of op een tractor te rijden. Het was -“
“We hebben samen veel meegemaakt. Maar, ik ga echt niet zeggen: zand erover! Annie zal eerst moeten uitleggen waarom zij dat alles heeft gezegd, en leg me even uit waarom jij mij een kaart stuurde met een Dikke Bertha erop.”
– Het leek wel of Thomas moest nadenken over wat hij wilde gaan zeggen. Langzaam schoof hij zijn koffiekop opzij. “Annies woorden zijn van deze tijd. Je moest eens weten hoe vaak ze tegen mij zegt dat ze het helemaal met mij heeft gehad, of lul, klootzak, kut en meer van dat soort woorden. Het is 2015, Maarten. Niets is tegenwoordig meer raar of een taboe. Waarom kun jij daarom niet zeggen: zand erover? Zet Dikke Bertha tegen mij in stelling, als zwaar geschut. We hebben samen toch voor hetere vuren gestaan?”
– Maarten grimlachte. “Hetere vuren, ja. Maar, nooit eerder heeft iemand van die rare, nare woorden tegen mij uitgesproken. Ik was er behoorlijk van geschrokken en het heeft me diep gekwetst. Annie had niet op die toon en met zulke grove woorden tegen mij moeten spreken.”
– Thomas zuchtte en haalde zijn schouders op.
– “Zulke woorden zeg je niet. Punt. Aan dat soort populariteit heb je niets. Daar doe ik niet aan mee!“
– Thomas hief zijn handen in de lucht. “Ik begrijp je. Sorry, het kwam toen niet in mij op dat je het kwetsend vond. Ik zag geen noodzaak om Annie in de rede te vallen.”
– Maarten verslikte zich bijna in de koffie. “Ik vond je een slapjanus. Een bange schijterd! Was je bang dat Annie bij je zou weglopen? Of dacht je, die brave broer van me laat me toch niet vallen?” Maarten veegde met zijn zakdoek zijn mond af. Thomas deed vaak stoer, maar slechts een handjevol mensen wist dat hij een klein hartje had. Nog niet zo lang geleden had Thomas tegen hem gezegd: “Jij mag jouw weinige haar dan wel een kleurtje hebben gegeven om jonger te willen lijken, maar in werkelijkheid ben en blijf jij een ouwe zak!” Hij had die opmerking niet leuk gevonden, maar hij wist wie dat zei. Zo was het altijd gegaan. Als broers konden zij de lelijkste woorden verdragen en konden ze alles tegen elkaar zeggen. Alleen Annie niet.
– Thomas probeerde de aandacht van de ober te trekken door zijn hand omhoog te steken. “Mijn trein gaat over een half uur.”
– “Dan kunnen we samen nog even praten,” zei Maarten. “Doe mij maar een Grolsch, zo’n Herfstbok. En jij?”
– “Voor mij een dubbele whisky met een extra portie bitterballen.”
– Even later kwam een volslanke dame hun bestelling opnemen. Ze had een inkijk van hier tot ginter.
– “Wat een kont!” zei Thomas, toen ze uit het zicht was verdwenen. Hij had altijd al iets met dikke billen.
“Jammer dat de seks niet meer wil,” zei Thomas met een diepe zucht.
– “Heb je enig idee wie zij is?“ vroeg Maarten. “Zij is de dochter van Ans met wie jij ooit in het fietsenhok van onze school gerommeld hebt.”
– “Praat me daar niet van! Laten we het over onze belevenissen van vroeger hebben, hoe we liftend met een rugzak door Engeland trokken.” Thomas’ ogen fonkelden, zoals altijd wanneer hij binnenpretjes had.
– “Op de klep van onze rugzak hadden we met paperclips een Nederlands vlaggetje vastgemaakt. Dat was een briljant idee van je; want het bleek dat veel chauffeurs in Nederland hadden gevochten. Daarom kregen we vaak vlot een lift.”
– “Inderdaad, maar pas na Colchester,” onderbrak Thomas hem. “Na de eerste stopplaats voor de jeugdherberg. Hoe oud waren we toen? Ik zestien en jij achttien?”
– “Ja, jij was zestien en vastbesloten een tattoo te laten zetten.” Met een lach schudde Maarten meewarig zijn hoofd. “We zijn zo niet getrouwd, heb ik toen tegen je gezegd, omdat ik niet met je thuis durfde te komen met een plakkaat op je arm.”
– “Nou,” zei Thomas, “zo braaf was jij ook niet altijd. Als ik zeg Huy, wat zeg jij dan?”
– “Een jeugdherberg in België.”
– “Ik verwachtte dat je zou praten over dat hilarisch voorval daar. We maakten midden in de nacht ontzettend veel kabaal toen we naast elkaar op een afdak van golfplaten hebben geplast, omdat de toiletten op de begane grond waren. Dat vonden wij te ver lopen.”
– “Je moet naar de trein,” zei Maarten plots.

Nog steeds grinnikend liep Thomas voor hem het eetcafé uit, richting het station. Maarten twijfelde even of hij deze ouderwets gezellige avond met zijn broer wilde laten overschaduwen door te gaan zeggen wat hij nog op zijn lever had. Maar Annie stond nog steeds tussen hen in.
– “Dat van die dikke kont, dat blijft toch tussen ons? Ook al kan ik daar niets mee,” zei Thomas met een knipoog.
– Dat was het! Maartens ademhaling stokte. Het waarom van Annies frustratie had in ’t Wapen van Aadorp vaste vorm gekregen. Annies rare en nare woorden, haar scheldkanonnades, haar chagrijnige bui… Alles viel opeens op zijn plek.
– Thomas klopte hem op de schouder. “’t Was gezellig vanavond, broer. Zand erover?”
– Maarten hield zijn pas in en schraapte zijn keel. “Thomas, er is iets wat je moet weten. Annie… Vorig jaar is er iets gebeurd toen ik een paar dagen bij jullie was.”
– De spanning was plots voelbaar tussen hen. “Wat dan, Maarten?”
– “Op een nacht werd ik wakker, omdat ik een vreemd geluid hoorde. Annie stond in de slaapkamer, naast mijn bed. Het licht van de straatlantaarn dat door de slaapkamergordijnen naar binnen scheen, verried dat ze poedelnaakt was. Ze wilde bij mij in bed stappen, maar dat wilde ik niet.” Hij keek recht in Thomas’ ogen. “Wees maar gerust, ze verdween zonder iets te zeggen en sloot de deur achter zich.”
Thomas zweeg en Maarten zag zijn broer slikken.

“Je kunt hier wel een kanon afschieten zonder ook maar iemand te raken!” riep Thomas. “Er is nog steeds geen hond te zien hier!”
– “Wij zien elkaar, broer. Altijd,” zei Maarten.
– “Zand erover?” vroeg Thomas.
– Maarten trok Thomas aan zijn mouw. “Hoe laat gaat je trein ook alweer?”

Een gedachte over ““VOORBIJ” (Uit: Wachtende perrons, ISBN: 9789463188876)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *