Alweer die oorlog (kv 87)


Tegen het einde van de oorlog (WO II) schoten Duitse soldaten naar de overkant van de (Overijsselse) Vecht, waar de Canadese soldaten waren. De Canadezen schoten met veel geweld terug waardoor vlakbij de boerderij van mijn oom en tante – zij was de zuster van mijn Oma, mijn tante, en het was hun ouderlijke woning – vloog daardoor in brand. Mijn tante moest op dat moment worden tegengehouden, want zij wilde een Duitser, die op haar erf aan het schieten was, te lijf gaan om hem aan haar hooivork te steken.

Ook dit voorval hoorde ik een keer van mijn moeder. Zij stond, met mij op de arm, op het kerkplein in het dorp naar de komst van de Canadezen – wat ook de bevrijding van het dorp betekende – te kijken. Zij vertelde mij dat de Canadezen sigaretten en chocolade uitdeelden aan de mensen die langs de weg stonden te zwaaien en te juichen. Toen de Canadese soldaat mij een reep chocola wilde geven, schijn ik iets gezegd te hebben dat klonk als ‘Lus ik nie’. De soldaat scheen het nog te ‘begrijpen’ ook, want hij was door gelopen. Tot grote ergernis van mijn moeder. Zij was toen flink boos geworden, zei zij, omdat zij niets had gekregen.
Het was dus mijn schuld! 🙂