Uit logeren (kv 113)


Het was maar vier kilometer van huis, maar toch leek het ver weg. Het logeren bij mijn oom en tante duurde steeds maar kort. Slechts een dag en een nacht.

Zij woonden in het dorp, in een knus huis, met een mooie tuin, vlakbij de melkfabriek en vlak naast de directeurswoning. Een bijzondere plek, aan de rand van het dorp.
Iets verderop lag ‘het tranendal’. De naam was voor elke dorpeling duidelijk. Wie daar woonde of kwam te wonen, die was diep gezonken. Van mijn ouders kreeg ik te horen dat er ook iemand woonde die in de oorlog bij de SS had gezeten. Ook vertelden ze mij op een keer dat Victor van Vriesland een tijdje in het huis ondergedoken is geweest.

Mijn tante was een lieve vrouw. Ze had bijzondere ogen, want de pupillen stonden lager dan bij de meeste andere mensen, en waardoor zij niet goed kon zien. Mijn oom was ‘gek’ op mijn tante, maar af en toe toch ook een beetje jaloers. Ze hadden een aardig hondje, ‘Trilby’. Het hondje begon te trillen zodra er iets onverwachts gebeurde. Bij wijze van spreken kon dat al gebeuren bij het horen van het geluid van de deurbel.

Mijn broer en ik sliepen in een kamertje boven. ’s Morgens werd ik meestal vroeg wakker van het gerammel van de melkbussen die aan de voorkant van de melkfabriek werden gelost.

Toen mijn tante overleed, kreeg ik een foto met haar afbeelding van mijn oom.

0

Een bijna ‘afgerolde’ vingernagel (kv 112)


Op een dag werd ik achternagezeten door mijn broer. Zomaar. Uit gekkigheid, denk ik. Broer, dacht ik, jij krijgt mij niet te pakken.

Het begon in de keuken. Ik trok snel een keukenstoel bij de tafel vandaan, schoof de stoel tussen hem en mij en rende daarna door de woonkamer naar de deur voor de trap naar boven. Hij struikelde over de stoel, schoof hem snel opzij en rende mij achterna. Halverwege de trap had hij mij bijna bij de rechterenkel. Bijna, want zijn hand – ik weet niet meer welke – kwam onder mijn schoenzool, dat de vorm van een soort van zigzagvorm had, terecht. ‘Mijn vinger’, schreeuwde mijn broer plotseling.

Wat er daarna allemaal is gebeurd, weet ik niet meer. Wel weet ik dat het voorval voor zijn leven zichtbaar blijft.

1+

Amerika (de VS) deugt niet


Nog steeds niet. Met mijn moeder – met wie ik overigens heel goed overweg kon – had ik eens verschil van mening over het feit dat de Verenigde Staten geen tweede atoombom op Japan had mogen gooien. Zij wilde geen kwaad woord horen over de Amerikanen (VS), omdat zij ‘onze bevrijders’ waren. Mijn broer reageerde ook zo. Nog steeds, geloof ik. Wat mijn vader toen dacht, weet ik niet.

Aan dat gesprek met mijn moeder moest ik denken toen ik las dat de VS de Palestijnse diplomatieke vertegenwoordiging in Washington heeft gesloten. De zoveelste (onbegrijpelijke) Amerikaanse (straf)maatregel tegen de Palestijnen (in navolging van de Israelische regering?). De VS dreigt zelfs met sancties tegen het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. Niet te geloven! Hoe dan wel?

Waarvoor is de VS bang? Omdat het Israël steunt – ook financieel? – bij onbegrijpelijke, afschuwelijke en onbeschofte maatregelen tegen de Palestijnen? Bang dat het Strafhof Amerikaanse oorlogsmisdaden ontdekt en wereldkundig gaat maken?

Tegen het ICC zeg ik dan:
Het onderzoek had al veel eerder gekund/ gemoeten, maar ga a.u.b. alsnog snel aan de gang met een onderzoek. Dat bent u verplicht. En neem dan ook het huidige gebeuren in o.a. Hongarije en Polen onder de loep, want het deugt daar (ook) niet met de democeatie.

1+